Posted by Eric van der Aa on 07/18 at 02:28 PM

Blinde vlekken na de PAS-uitspraak

Afgelopen 29 mei heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak gedaan die veel stof deed opwaaien. Het PAS mag niet als basis gebruikt worden om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een stikstoftoename op de plek van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Het PAS onderging daarmee hetzelfde lot als het vernietigde ‘Be­leidskader Stikstof en Natura 2000 Overijssel’ (2013), en de ‘Beleidsregels Stikstof en Natura 2000 Gelderland’ of, langer geleden, het ‘Toetsingskader ammoniak rondom Natura 2000-gebieden’ (2006). Ook deze instrumenten boden ontwikkelingsruimte op basis van verwachtingen. En ook in deze gevallen werden Europeesrechtelijke verplichtingen ondergeschikt geacht aan landelijke, politieke wensen. De hardnekkige denkfout dat je Natura 2000 kunt beschermen met verwachtingen (en dat de rechter dat goedkeurt) is kennelijk onuitroeibaar op verschillende overheidsniveaus. (dit schreef ik al in 2013; zie DE PAS; gaat het wat worden?).


Nu het stof van de PAS-uitspraak langzaam neerdaalt valt op dat het bevoegde gezag, politici en juristen nog steeds last hebben van denkfouten. Ik beschrijf de meest opvallende blinde vlekken uit de Factsheet Woningbouwplannen, stikstof en Natura 2000-gebieden (Min BZK). Zo wordt gesteld dat “stikstofdepositie zich kan voordoen bij ruimtelijke ontwikkelingen zoals de aanleg van infrastructuur (vaar-, spoor-, en autowegen), de bouw van nieuwe bedrijven, woningbouw en agrarische activiteiten.” Die agrarische activiteiten worden, bijna terloops, aan het eind gemeld. Het is correcter te melden dat stikstofdepositie vooral veroorzaakt wordt door agrarische activiteiten. Gemiddeld veroorzaakt de landbouw 60% van de depositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Ruim 90% van de PAS-ontwikkelruimte is sinds 2015 weggegeven aan de veehouderij en de hele veehouderij draagt minder dan 1,5% bij aan onze economie. Die agrarische olifant in de kamer heb ik nog in geen enkele overheidspublicatie benoemd gezien.

Ik constateer verder dat in alle publicaties een verbazend optimisme heerst over de ADC-toets als mogelijke uitweg uit de imPASse. Als benodigde ‘Dwingende reden van groot openbaar belang’  worden steevast  ook sociale of economische redenen genoemd. In de meeste gevallen wordt dan de disclaimer toegevoegd dat wanneer er zogenoemde ‘prioritaire’ soorten of habitats in het Natura 2000-gebied aanwezig zijn, sociale en economische belangen alléén als openbaar belang worden aangemerkt nadat advies is ingewonnen bij de Europese Commissie. Echter, nooit wordt gemeld dat er in vrijwel alle 118 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden sprake is van prioritaire habitats. Slechts in 9 van deze gebieden (7,5%) zijn geen prioritaire habitats aanwezig. Oftewel; de uitweg van sociale en economische motieven als onderdeel van de ADC-toets is in de praktijk zelden bruikbaar! Bij significante effecten als gevolg van stikstofdepositie zijn voor een ADC-toets dan alleen argumenten bruikbaar, die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Dat zal voor veel projecten eenvoudigweg niet aantoonbaar zijn.

Hoe nu verder na 29 mei?

Het PAS heeft ons lui gemaakt. Er was geen noodzaak na te denken over bronmaatregelen, want een vergunning was makkelijk geregeld. Vaak volstond alleen een melding en bijeen prioritair project golden uberhaupt nauwelijks grenzen. Een grote blunder in het PAS was bovendien het verbod op externe saldering. Daarom is het einde van het PAS vooral goed nieuws. Het stimuleert nieuwe technieken en plannen om te komen tot daadwerkelijke reductie van stikstofemissies. Dergelijke initiatieven gaan vaak uitstekend samen met het oplossen van de klimaatopgave. Denk aan gasloos bouwen, zonneparken op landbouwgrond, vernatting van veenweidegebieden en uiteraard een forse sanering van de veestapel. In 2013 noemde ik het PAS een inhoudelijk, juridisch en bestuurlijk kaarten­huis met een slotconclusie die ik daarna nog in verschillende artikelen en blogs heb herhaald en nu nog een keer herhaal: Er is maar één echte oplossing; een grootschalige sanering van de Nederlandse veehouderij. Dit is uit het oogpunt van ecologie, economie en volksgezondheid de onvermijdelijke keuze.

Posted by Stefan van Vessem on 06/27 at 10:16 AM

PAS BOEM BENG!

Juni 2019. Een beweeglijke maand in ontwikkelend Nederland
 
Terwijl het land de laatste weken geteisterd is door moessonachtige regen- hagel- en onweersbuien, stevenen we deze week af op temperaturen van 37 graden of meer en nachttemperaturen van 20 graden. Dit jaar halen we de meeste temperatuurrecords sinds jaren. In heel het land vallen de eikenprocessierupsen (exoot) met bosjes uit de bomen, tot wel 3x zoveel als afgelopen jaar, dat al een recordjaar was. Ook de droogte van afgelopen jaar kost menig boom de kop: nog nooit is er zoveel ‘dood hout’ te verwijderen dat nu risico vormt voor de geparkeerde auto, of erger, mensen die eronderdoor lopen. Men houdt het hart vast voor de droge zomer waar we nu wellicht voor staan.
 
Heerlijk vind ik het om af en toe een hengeltje uit te gooien met mijn zoontjes in de weekeinden. Inmiddels hangt in de meeste rivieren en beekjes bij een duikende dobber vaker een uit Oost-Europa afkomstige Zwartbekgrondel aan het haakje dan een Hollandse Ruis- of Blankvoorn. De prachtige, doch uit Noord- Amerika afkomstige Zonnebaars heeft al half Brabant en Limburg overmeesterd en in een groot aantal karakteristieke vennen alle waardevolle amfibieën opgegeten. Er zwemmen inmiddels honderdduizenden en het bestrijden valt niet mee.

Het bovenstaande is slechts een greep uit de effecten die klimaatverandering in mijn nabije omgeving zichtbaar maakt. Klimaatverandering is geen HOAX, dat stelt zelfs de heer Trump.

 
Als de PAS toch niet blijkt te PASsen
Die conclusie brengt me naar de recente rechtspraak van onze hoogste bestuursrechter. Op 29 mei j.l. deed deze rechtbank een uitspraak waarmee ze de grondslag onder de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) uitsloeg. In deze PAS, die in 2015 in het leven is geroepen om een oplossing te bieden voor de lastige doelstelling om stikstofdepositie op gevoelige natuurgebieden aan banden te leggen, werd vooruitgelopen op een afname van stikstof door maatregelen die nog niet genomen waren. Een uitgangspunt dat totaal in strijd bleek met de Habitatrichtlijn. Op advies van het Europees Hof moest Nederland nog maar eens kritisch kijken naar de PAS...
 
En kritisch is gekeken. Tegen mijn verwachting in, is een groot deel van de grondslag van de PAS weggeslagen. Eigenlijk zoals mijn collega Eric van der Aa dit al had benoemd in zijn blog in oktober 2017. Het is niet meer mogelijk om voor te sorteren op stikstofruimte die nog niet daadwerkelijk gerealiseerd is. Daarnaast is het claimen van prioritaire ruimte, een voorrecht en een reservering op toekomstige ruimte voor bedrijven en ontwikkelingen die dat begrepen in de aanloop naar de PAS, ook zo’n ‘weggeslagen’ mogelijkheid. Men legt in de media nu de nadruk op de Formule 1 in Zandvoort volgend jaar en de realisatie van Lelystad Airport, alsmede op een aantal grote, infrastructurele ontwikkelingen. Maar er zijn zoveel meer projecten die nu serieus in de problemen zitten. Projecten die initieel weer andere problemen oplossen: denk aan circulaire projecten die het begrip ‘afval’ omturnen naar grondstof, infrastructurele projecten die verkeersinfarcten oplossen en lokale stikstofproblemen weten te verleggen of projecten die de woningnood op een duurzame manier minder groot weten te maken.
 
De politiek roert zich inmiddels vurig: Economische belangen versus natuurontwikkeling. Dit kan toch niet, stellen partijen in de oppositie en coalitie. Nederland staat op slot. Zonder een politieke voorkeur uit te spreken: Eens! Nee, dit kan niet (meer). De manier waarop we het tot nu toe hebben gedaan heeft gefaald. Stikstofdepositie is alleen groter geworden en is sinds 2005 niet afgenomen. We zijn daarin zelf het lijdend voorwerp van ons ‘succes’ geworden. Het idee was goed, de uitvoering aanzienlijk minder.

Als het niet gaat zoals het moet, dan moet het zoals het gaat
Een groot deel van mijn opdrachtgevers, waarvoor mijn team en ik vergunningen van divers pluimage verzorgen, hebben een groot probleem door deze uitspraak. We kijken als adviseurs met een forse dosis nieuwe creativiteit naar dit probleem om de ontwikkelingen toch doorgang te kunnen geven. Juristen en experts opperen manieren om die creativiteit in te zetten. Oplossingen zijn er zeker, maar niet zonder consequenties. Dit is een serieus probleem. Als overkoepelende oplossing zou ik willen voorstellen dat het tijd wordt dat kaderstellend Nederland niet het onderwerp ‘economische groei’ tégen het onderwerp ‘natuurontwikkeling’ ziet maar dat we beiden bundelen en het probleem met de oplossing combineren. Niet vechten voor bestaande rechten, maar nieuwe rechten en kansen creëren. Economische stabiliteit of groei moet natuurinclusief gaan plaatsvinden. Iedere afweging voor infrastructuur, binnenstedelijke ontwikkelingen of industrie, noem ze maar op, zou de consequenties over de volle levenscyclus van die ontwikkeling in beeld moeten brengen en de effecten op de leefomgeving daarin een volwaardige plaats geven, bijvoorbeeld zoals voorgesteld in de nieuwe Omgevingswet? Iets dat veel verder zou moeten gaan dan een (al niet zo) eenvoudige LCA-cyclus die nu vaak in beeld wordt gebracht. Ik zie dat voor me, vanaf aanlegfase tot beëindiging van de ontwikkeling. Sceptici zullen zeggen dat dat onmogelijk is. Mijn glas is echter halfvol en ik zie het als een uitdaging om naar onze samenleving als geheel te kijken. Ik nodig u uit om dat ook te doen. Overigens moet dat nu en het moet snel. Het klimaat kondigt al een hele poos aan dat de tijd van Nederlands polderen zijn houdbaarheidsdatum ver heeft overschreden. Als het niet gaat zoals het moet, dan moet het zoals het gaat.

Een BENG als polderproduct, zonder flinke BOEM!
Dat halfvolle glas is overigens niet gebruikt bij de langdurige onderhandelingen over de BENG. Innovatie en doorpakken zijn in de kiem gesmoord. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 juli 2020 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Minister Ollongren heeft op 11 juni de Tweede Kamer een brief gestuurd met de (naar alle waarschijnlijk) definitieve eisen, die na de zomer geeffectueerd zullen worden in nieuwe wetgeving.  De invulling van het eisenpakket is jarenlang onderwerp van discussie geweest. Marktanalyses, gesprekken met de bestaande markt en overheden. Welke rekenmethode is nu de juiste en wat zijn daarbij de beste uitgangspunten? Dit alles heeft geresulteerd in een nieuwe eis, de NTA 8800 waarmee de tot nu gehanteerde EPC (energie prestatie coëfficiënt) komt te vervallen. Ik spreek in dit blog mijn grote teleurstelling uit over het gebrek aan innovatie en daadkracht. Gelukkig ben ik niet de enige. Omgerekend zal de BENG een EPC van 0,2 (waar de EPC in het Bouwbesluit al 0,4 was) hanteren. Om u in lekentaal een voorbeeld te geven: dat zijn vier zonnepaneeltjes bovenop hetgeen het Bouwbesluit 2012 (ja ZEVEN jaar geleden) al mogelijk maakt. ZEVEN jaar geleden kreeg je ook nog korting als je een ‘zuinige’ diesel in de bijtelling reed. Die tijd is voorbij. Ik chargeer enigszins, maar het toont aan dat polderen in Nederland nog steeds de grote norm is. Vier zonnepaneeltjes extra per huis wint je 0,2 EPC en daar moeten we letterlijk het klimaat mee redden. Ik schaam me voor dit resultaat. Energie in de bestaande bouw is slechts alleen mijn ‘hobby’ en niet mijn vakgebied, maar als finalist van de verkiezing van het meest duurzame huis van Nederland afgelopen jaar staat het schaamrood mij op de kaken. Wat een misser.
 
Grondposities in Nederland zijn schaars. We hebben te weinig woningen. Collega Leo Snel heeft dat recent nog benadrukt bij BNR Radio Bouwmeesters. We hebben met een forse inhaalslag te maken in de verduurzaming van bestaand vastgoed. Toch gaan we met droge ogen verkopen dat nieuwbouw ‘bijna’ energieneutraal is en daarbij kloppen we onszelf op de borst.Wat hebben we het goed gedaan. Mensen, dat is niet zo. We moeten ons schamen. Alle nieuwbouw zou energieleverend moeten zijn. Minimaal. Zozeer energieleverend zelfs dat onze landelijke opgave om bestaand vastgoed te verduurzamen daarmee een eenvoudigere opgave gaat worden. De technieken bestaan allang, ze zijn duurder maar betaalbaar en op grote schaal beschikbaar.

Hoe een stofzuiger ook een vliegwiel is
Het vliegwiel effect moet nu op gang komen. Niet alleen om onze natuurgebieden te beschermen en om innovatieve bedrijven te faciliteren, maar  ook om onze bebouwde omgeving energieleverend te maken.
 
Ik roep de Nederlandse politiek op om daarin het voortouw te nemen. Europa heeft eerder een mooie stap gezet met de stofzuigerwet. De nieuwe Ecodesign-vereisten die op 1 september 2017 zijn ingegaan, staan in de Europese verordeningen 665/2013 en 666/2013. Stofzuigers mogen niet meer dan 900 Watt gebruiken. Particulieren kochten alleen 2000 Watt exemplaren, omdat dat betekende dat ze krachtig hun werk doen. Particulieren waren hierin ‘ge-mediahyped’ en keken alleen naar vermogen. Wat bleek, zuigkracht heeft niet zozeer een evenredige correlatie met het elektrisch vermogen. Nu de EU hierin het voortouw neemt is weer innovatie mogelijk en lijkt de branche een grote stap te kunnen maken met een forse vermindering in energieverbruik tot gevolg. Yes! Dank aan de EU. Zo ook het veelbesproken gasverbod voor nieuwbouw van afgelopen jaar, dat vanuit onze eigen overheid plotsklaps is opgelegd. Uiteraard volgde hierop een storm van verontwaardiging, met name uit de eigen branche. Wat blijkt nu, het is prima realiseerbaar! Niet zonder slag of stoot, maar het kan.
De nieuwe omgevingswet maakt het mogelijk dat lokale overheden een eigen aanvullend kader stellen. Ik zou deze overheden ook willen vragen bij de inwerkingtreding niet terughoudend te zijn met het stellen van nieuwe normen. Stel de kaders, stel ze scherp en wees daarmee het vliegwiel tot innovatie. Als het zelfs met een stofzuiger kan...

Geen Pas op de Plaats, Geen BENG zonder BOEM!
Zowel de PAS als de BENG hebben iets nodig. Ik zou dat de BOEM! willen noemen. Als in een explosie. Een explosie van verandering. Een explosie van transitie en een explosie van innovatie. Talrijke initiatieven zijn de R&D- fase ruimschoots voorbij, dat kon 10 jaar geleden al. We hoeven niet te bewijzen dat we kunnen transporteren, kunnen produceren en kunnen leven zonder onze natuurgebieden te schaden. We kunnen daarnaast ook energieleverend bouwen en werken en leven. Easy. Ed Nijpels, voorzitter van de Commissie Borging Energieakkoord voor duurzame groei van de SER, heeft afgelopen jaren veelvuldig aangegeven dat het geld over de plinten klotst en iedereen moet meedoen. Laten we dat geld gebruiken en laat iedereen meedoen. Op de juiste manier. Als een BOEM graag!
 
Natuurlijk gaat u mij vervolgens de volgende vraag stellen: Wie gaan dat betalen? Nou, u en ik. Linksom of rechtsom. Maar het vliegwieleffect zou ik graag van Den Haag geïnitieerd willen zien. We moeten kilometers gaan maken. Ook die kilometers moeten u en ik gaan maken, een omwenteling zoals Jan Rotmans dat zo mooi zegt.
 
Mijn zoontjes en ik gooien nog een keer onze hengeltjes uit. Hiermee als doel om een zwartbekgrondel of een ruisvoorn te vangen, ach. Het aas dat we aanbieden kan het verschil wel eens maken, waar niet. De Nederlandse rovers van de rivieren hebben het menu tenslotte ook aangepast. Baarzen vangen nu zwartbekgrondels en snoeken worden ingezet om de zonnebaars te bestrijden. Dat is een veerkracht die wij ook mogen laten zien. Als het niet gaat zoals het moet, moet het zoals het gaat. De wereld verandert tenslotte. Wij veranderen mee en niet andersom. Goede vangst!



PAS BOEM BENG!
 
Stefan van Vessem
Vergunningenmanager Rho Adviseurs voor Leefruimte. 

Posted by Eric van der Aa on 04/26 at 08:48 AM

Veenoxidatie-CO2 uitstoot uit veenbodems

Klimaatbeleid is hot en het tegengaan van CO2-emissies staat politiek hoog op de agenda. Naast alle terechte aandacht voor grote CO2-blazers als zware industrieën, kolencentrales, huishoudens en verkeer valt de aandacht voor een andere grote CO2-bron een beetje tegen. Ik doel op de CO2-uitstoot uit veenbodems.

Het overgrote deel van ons veenweidegebied is (diep) ontwaterd grasland in gebruik voor de melkveehouderij, die zoveel mogelijk goedkope melk voor het buitenland moet produceren, aangejaagd door CDA en Rabobank. Door het verlagen van het waterpeil verdroogt en oxideert het veen, waardoor jaarlijks liefst 7 megaton CO2 vrijkomt, bijna 4% van de totale Nederlandse CO2-uitstoot (CBS, 2018) en dat voor minder dan 0,5% van onze economie. Vanwege de veenoxidatie daalt de bodem en moet gemiddeld elke 10 jaar het waterpeil opnieuw verlaagd worden om voldoende drooglegging te garanderen. Gemiddeld komt er nu jaarlijks 30 ton CO2 vrij per hectare veenweidegebied in Nederland. In Friesland kan dit oplopen tot wel 40 ton CO2 per hectare (bron: CLM Onderzoek en Advies 2018). De maatschappelijke kosten zijn zeer fors: de extra kosten voor het beheer en onderhoud van wegen en infrastructuur, funderingen van huizen en waterbeheer bedragen tot 2050 ruim €20 miljard, aldus het PBL in de Balans voor de Leefomgeving 2016. Per hectare veenweidegebied heb je het dan €700 - €900 per ha per jaar, voor rekening van de belastingbetaler.

In theorie zijn er nog meer kosten: de prijs die de grootste energieverbruikers betalen voor de Europese CO2-emissierechten (ETS) is vorige week gestegen tot een nieuw record  van 27 euro per ton CO2. Uitgaande van 30 ton CO2/ha/jr zou elke boer in het veenweidegebied dus zo’n €800 per jaar per hectare moeten betalen om te mogen produceren. Samen met de hiervoor genoemde materiele schade hebben we het inmiddels over €1500 - €1700 /ha/jr. Die huidige €27 per ton CO2 wordt overigens te gering geacht om de klimaatdoelen te halen. Een groep economen en bankiers pleitte daarom onlangs voor de prijs van €50 per ton. De Nederlandsche Bank concludeerde vervolgens dat een belasting op CO2-uitstoot van €50 per ton geen ernstige gevolgen heeft voor de concurrentiepositie van Nederland. Dan hebben we het dus over €2200 tot €2400 /ha/jr die een agrariër op veengrond moet betalen om goedkope zuivel voor China te mogen produceren

Nu heb ik niet de illusie dat we de regels ooit zo consequent zullen gaan toepassen binnen de agrarische sector. Dat hebben we immers nooit gedaan en dat zal zo blijven zolang CDA, VVD en FD dit land besturen en Yvon Jaspers bij het grote publiek het beeld bepaalt van de Nederlandse landbouw. Die materiële schade van veenoxidatie moeten we dus als burgers blijven betalen en de veehouderij zal net als de luchtvaart een uitzonderingspositie behouden als het gaat om het betalen van de veroorzaakte milieuschade. Triest, maar het is niet anders.

Maar als we van dit alles nu eens een nieuw agrarisch verdienmodel maken? Indien we de boer nu eens gaan betalen voor het vermijden van veenoxidatie door zijn land te vernatten? In plaats van dat we onze vliegreis afkopen met een paar tientjes voor een vaag herbebossingsproject in Afrika kunnen we die geldstroom ook benutten om veengrond in eigen land te gaan vernatten. Die €1500 - €1700 /ha/jr is daarbij ongetwijfeld zeer aantrekkelijk voor veel agrariërs. In Friesland heeft men al enige ervaring opgedaan met dit Valuta voor veen-concept, dat we kunnen uitrollen naar andere delen van Nederland. Uiteraard zal de nattere veengrond gepaard moeten gaan met een forse extensivering van de melkproductie (goed voor de weidevogels) en inkrimping van de veestapel. En aangezien er nabij de meeste veenweidepolders wel één of meerdere stikstofgevoelig Natura 2000-gebieden liggen lossen we met die extensivering ook een flink deel van het stikstofprobleem op. Ook het behalen van de KRW-doelen wordt eenvoudiger; veenoxidatie leidt immers tot het vrijkomen van de in het veen opgeslagen voedingstoffen als nitraat en fosfaat, met grote negatieve gevolgen voor de oppervlaktewaterkwaliteit.

Vanuit de agrarische sector wordt overigens geroepen om het probleem van veenoxidatie op te lossen door middel van onderwaterdrainage. De kosten van onderwaterdrainage zijn echter hoog (gemiddeld 200 tot 300 euro per hectare per jaar aan kapitaals- en onderhoudskosten) voor slechts een halvering van de CO2-emissies. Bovendien is minder dan de helft van de veengebieden geschikt voor deze techniek. Daarnaast zijn er grote onzekerheden over de effectiviteit ervan. Het internationale veengenootschap, een consortium van 1500 wetenschappers uit meer dan 40 landen, heeft recent zelfs expliciet een verklaring uitgebracht waarin gesteld wordt dat niet bewezen is dat onderwaterdrainage werkt.

Het thema klimaat zal ook een steeds grotere rol krijgen in MER-ren voor plannen en projecten. Vooral voor planMER-ren voor Omgevingsvisies en -plannen in veenweidegebieden is het bovenstaande uiterst relevante materie. Aan ons MER-deskundigen de taak om dit alles helder in beeld te brengen. En vervolgens  hebben we alleen nog maar daadkrachtige bestuurders nodig….!

Posted by John on 03/28 at 04:47 PM

De parkeervraag in transitie

Parkeren en Smart Mobility, 2019 en verder
In december jl. zijn door het CROW nieuwe parkeerkencijfers gepubliceerd. Deze cijfers zijn vaak de leidraad voor de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen. De cijfers zijn nauwelijks gewijzigd ten opzichte van de vorige publicatie uit 2012. Dit is enerzijds een goed teken, het betekent voor een deel dat we de afgelopen jaren in Nederland goede parkeer- en verkeerssituaties hebben geadviseerd. Anderzijds staat de autowereld en ook de parkeerwereld niet stil.
 
Met name in sterk stedelijke gebieden is het maatwerk en hebben gemeenten daarom al jaren een eigen parkeerbeleid. Met deelauto’s die reeds worden ingezet en autonome voertuigen die het toekomstige straatbeeld naar waarschijnlijkheid zullen vullen, is er steeds meer behoefte aan maatwerk en flexibiliteit. Ook vanuit de kant van gebiedsontwikkeling zijn door verstedelijking slimme oplossingen nodig. Om de noodzakelijke woningvraag te realiseren is niet altijd de benodigde/gewenste ruimte aanwezig om te voldoen aan de gemeentelijke parkeernorm.
 
Een passende maar flexibele parkeerbalans
Een lage parkeernorm is geen doel op zich, het doel is een passende parkeerbalans. Het spanningsveld bij het voldoen aan de parkeernorm ligt bij het voorkomen van een tekort, waardoor bezoekers wegblijven van de bestemming. Maar ook een overschot is nadelig. Zo voorziet een ontwikkelaar liever extra woningen op de ruimte waar geen parkeerplaatsen nodig blijken. Op deze manier kan het afwijken van de theoretische behoefte op verschillende disciplines (ruimtelijk, maatschappelijk, financieel, etc.) nawerken.
 
Trends
Het autobezit per huishouden
Met de komende trends in de wereld van verkeer en parkeren zal de parkeerbehoefte bij functies gaan bewegen. Waar de meeste huishoudens nu nog over één, twee of zelfs drie auto’s beschikken, kan zeker een tweede of derde auto op (korte) termijn worden vervangen door een deelauto die beschikbaar staat in de buurt. Onder starters en één persoonshuishoudens heerst volgens het CBS reeds minder de behoefte van het bezitten van een auto. De parkeerbehoefte voor een ontwikkeling in 2019 of 2020 kan hierdoor behoorlijk gaan wijzigen en in de jaren daarna.
 

Minder ruimte voor dezelfde mobiliteitsvraag
 
Gefaseerde realisatie van parkeerplaatsen
Naast een lagere norm kan ook een gefaseerde aanpak uitkomst bieden. Door eerst de minimale parkeerbehoefte te realiseren, kan met monitoring worden bepaald of de overige ruimte ook daadwerkelijk nodig is voor parkeerplaatsen. Zo niet, dan kan dit worden ingezet voor groen of andere invulling.
 
Hogere toelaatbare bezetting
In stedelijke gebieden zijn vaak (openbare) parkeerterreinen en –garages aanwezig. Deze voorzieningen zijn steeds vaker ‘slim’ ingericht. Dit betekent dat op een parkeerroute vaak al dynamisch wordt weergegeven hoeveel parkeerplaatsen ergens nog vrij zijn, ook intern op de parkeerwegen. Zoekverkeer (naar een vrije parkeerplaats) wordt hierdoor beter gestuurd. De gewenste bezettingsgraad van 85% die al jaren geldt, hoeft hierdoor niet altijd meer maatgevend te zijn.
 
Transitiefase
Voor een deel van de parkeerbehoefte (vaak 10 of 20%) worden nu al reguliere parkeerplaatsen vervangen door enkele parkeerplaatsen met deelauto’s. Dit kan de komende jaren gaan stijgen tot bijvoorbeeld 50% reductie in reguliere parkeerplaatsen. Dit is de transitie waar we ons in bevinden. De transitie die vraagt om maatwerk en flexibiliteit, om ook in te spelen op de toekomst. Een toekomstig beeld waarbij overschot in ruimte kan worden benut voor andere doeleinden.
 
Wij gaan graag samen met u deze transitie in en kunnen u naast de traditionele benadering bij parkeervraagstukken op meerdere gebieden adviseren:
  • Deelauto’s, deelfietsen en goede OV-bereikbaarheid: het inzetten van deelauto’s, bijvoorbeeld 20% van de parkeerbehoefte, kan leiden tot een reductie van het te realiseren parkeeraanbod. Ook een goede locatie ten opzichte van het OV of het extra inzetten van fietsparkeerplaatsen kan hierin bijdragen;
  • MaaS: een stap verder qua openbaar vervoer en de koppeling met vervoers-/ deeldiensten. Het koppelen van meerdere vervoersdiensten aan elkaar, bijvoorbeeld te gebruiken via één medium, maakt dat een ontwikkeling een afwijkende (lagere) parkeerbehoefte zal hebben;
  • Reductie van bezoekersparkeren: In de meeste beleidsstukken, als ook in de landelijke richtlijnen van het CROW, is een norm voor bezoekers opgenomen van 0,3 per woning. Vaak is dit een overschatting en kan al worden volstaan met een norm van 0,1, wat in een flinke bouwopgave een behoorlijke reductie kan opleveren. Bijvoorbeeld een veldonderzoek kan dit voor de omgeving uitwijzen;
  • Doelgroepen met een laag autobezit: studenten, maar ook starters en eenperoonshoudens beschikken vaak niet over een eigen auto. Dit is een trend die reeds zichtbaar is. Ook onder andere doelgroepen zal deze trend zich naar verwachting doorzetten. In stedelijke gebieden of bij ontwikkelingen met een specifieke doelgroep zijn aanpassingen in de parkeerbehoefte mogelijk. 
Centrale voorzieningen combineren met mobiliteitshubs:
‘de toekomst van mobiliteit bij verstedelijking’
 
Toekomstbeeld
Iedere locatie heeft haar eigen mogelijkheden en beperkingen. Uiteindelijk heeft een deelauto of zelfrijdende auto ook een parkeerbehoefte. Voor een goed concurrerende bereikbaarheid van de auto dient er voldoende aanbod te zijn van alternatieven, een soort beschikbaarheidsgarantie. Bij een dichte stedelijkheid of verstedelijking zal het clusteren van voorzieningen met een goed aanbod aan vervoersdiensten een goed potentieel bieden (in concurrentie met de auto). Deze trend zal steeds meer zichtbaar zijn (in stedelijke gebieden).
 
Bovendien zijn de alternatieve die al jaren worden voorgedragen, zoals het overstappen naar de fiets of het openbaar vervoer (OV) niet even reëel meer, ook deze modaliteiten ervaren ter plaatse al capaciteitsproblemen.
Hierdoor is het steeds vaker noodzakelijk om naar ‘slimme’ mobiliteitsoplossingen te zoeken.
 
Rho adviseurs voor leefruimte
Momenteel werken wij aan parkeeronderbouwingen voor ontwikkelingen van 2 tot 2.000 woningen, ook in hoog stedelijk gebied. Ook voor verkeerskundige oplossingen in verkeersstructuur, verkeerscirculatie (marcro-niveau) en op kruispunt- en wegvakniveau (micro-niveau) adviseren wij u graag. Dit doen wij bij woningbouwontwikkelingen maar ook voor andere markten als bedrijventerreinen, winkelgebieden en recreatiegebieden.
 
Rho adviseurs helpt u graag met het zoeken naar de mogelijkheden.
Via deze link https://www.rho.nl/portfolio vindt u een aantal van onze referenties.
Heeft u ook verkeerskundige vraag, neem dan contact op met Hans van Riet of Roel Meijs via 010-2018555.

Posted by Mark Geerts on 01/31 at 09:34 AM

Dienstenrichtlijn biedt kansen en bedreiging voor lokale winkelstructuur

Nu detailhandel wordt aangemerkt als een ‘dienst’ conform de Europese Dienstenrichtlijn wordt gestreefd naar vrije vestigingsmogelijkheden voor álle winkels, ook in Nederland. Dit gaat volledig in tegen de Nederlandse planningstraditie als het gaat om winkelgebieden. In vele bestemmingsplannen zijn brancheringsbeperkingen opgenomen, maar mag dat nu nog wel? Hoelang zijn deze beperkingen nog houdbaar? Wat betekent dit voor de winkelstructuur in mijn gemeente?
 
Rho adviseurs voor leefruimte is het bureau dat op dit moment middenin de materie staat. Wij hebben in 2013 het bestemmingsplan Stad Appingedam opgesteld, mét brancheringsregels voor de perifere locatie ’Woonplein’. Tegen het vastgestelde bestemmingsplan is beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In een tussenuitspraak, na consulatie van het Europees Hof van Justitie, heeft de raad de gemeente Appingedam om n   een  nadere onderbouwing gevraagd. Onlangs is die aanvullende onderbouwing voor de brancheringsbeperking in het bestemmingsplan Stad Appingedam aangenomen door de gemeenteraad van Appingedam.
 
Onderzoek toont aan: brancheringseisen zijn een must voor een duurzame winkelstructuur
Vaak wordt de Dienstenrichtlijn als bedreiging gezien voor de noodzakelijk geachte bescherming van de Nederlandse binnensteden. Dat is naar onze mening slechts een deel van het probleem. Uit onderzoek voor de  casus Appingedam blijkt dat het loslaten van brancheringseisen grotere gevolgen heeft dan tot nu toe gedacht. Naast de negatieve effecten voor binnensteden zal het loslaten van de branchering op perifere locaties leiden tot een verdringing van het huidige (volumineuze) aanbod.
 
Branches zoals mode en supermarkten, die nu nog meestal niet-perifeer zijn toegestaan, kunnen een hogere huur betalen dan het ter plekke gevestigde perifere winkelaanbod. Voor grond- en vastgoedeigenaren is de supermarkt een veel interessantere partij dan de bouwmarkt. De perifere en volumineuze branches - die juist vanwege hun lagere huren in het verleden naar de perifere locaties zijn uitgeweken - worden hier dan  verdrongen en hebben geen goed alternatief. Een mogelijk gevolg is dat weer nieuwe stedelijke gronden moeten worden aangewend voor perifere detailhandel, terwijl het winkelaanbod in veel gemeenten vaak al onder druk staat.
 
Juist om deze ongewenste ruimtelijke effecten over de volle breedte van de Nederlandse  winkelstructuur te voorkomen zijn brancheringseisen noodzakelijk  voor centrumgebieden én voor perifere detailhandelslocaties.
 
Waar moet een branchebeperking aan voldoen in een bestemmingsplan?
Naar aanleiding van onze ervaringen in Appingedam kunnen wij zeggen dat de volgende elementen van belang zijn om een branchebeperking te verantwoorden. Meer nog dan tot nu toe het geval is moeten ruimtelijke overwegingen de boventoon voeren, alhoewel ook het aloude Distributieplanologisch Onderzoek nog steeds zijn waarde heeft om het functioneren te beoordelen.
 
Consistente beleidskeuzes: noodzakelijkheid
Vanuit de gemeente bezien is een consistent ruimtelijke detailhandelsbeleid essentieel. Hierbij is het de vraag wat de gewenste winkelstructuur is en welke ruimtelijke overwegingen hieraan ten grondslag liggen. Het gaat om centrum versus perifeer en boodschappen versus recreatief winkelen. Het antwoord op deze veelomvattende vraag vereist een visie op de totale verzorgingsstructuurstructuur.
 
Voor centrumgebieden strekken dergelijke beleidskeuzen dan ook verder dan alleen de winkelfunctie. Het overige aanbod, waaronder horeca, diensten en cultuur, bepaalt de sfeer, uitstraling en functie van gebieden in hoge mate. Van belang daarbij is ook het (in het verleden gevoerde) beleid en maatregelen die tot nog toe zijn uitgevoerd om dat beleid te ondersteunen. Met consistente beleidskeuzes kan de noodzakelijkheid van een branchebeperking worden aangetoond: is er sprake van een zwaarwegend algemeen belang? Als dat het geval is biedt de Dienstenrichtlijn de mogelijkheid om branchering toe te staan.
 
Draagvlak voor detailhandel: evenredigheid
Ook kwantitatief ligt er huiswerk: wat is de actuele en toekomstige marktruimte? Kunnen er nog winkels worden toegevoegd en wat zijn de gevolgen van een (eventueel ongewenste) uitbreiding van het winkelaanbod? Dit is een vrij uitgebreide cijfermatige exercitie die inzicht verschaft in de vitaliteit en functioneren van de winkelgebieden en in de onderlinge (hiërarchische) verhoudingen.
 
Opheffen van een branchebeperking kan in een bepaalde woonplaats misschien geen problemen opleveren in het geval van ‘mode’, maar wél als het gaat om dagelijkse boodschappen. Uiteindelijk gaat het hierbij niet om het tot op de vierkante meter vastleggen van de marktruimte (economische ordening), maar om het goed in beeld krijgen van het krachtenveld binnen de retail-structuur om zo op verzorgingsfunctie te kunnen sturen.
 
Met een goede analyse van het draagvlak voor winkels kan de evenredigheid van een brancheringsbeperking worden aangetoond: gaat deze niet verder dan nodig is en zijn er geen andere, minder beperkende maatregelen denkbaar?
 
Hierbij moet worden opgemerkt dat iedere regio in Nederland anders functioneert. De bevolkingsontwikkeling, de opbouw van de winkelstructuur en de dynamiek in het algemeen kunnen behoorlijk verschillen. Gedegen, lokaal onderzoek is van groot belang bij het opstellen van  nieuwe ruimtelijke visies. Beschikbaar koopstromenonderzoek kan daarbij een hulpmiddel zijn om het functioneren van winkelgebieden in kaart te brengen.
 
Wat betekent de Dienstenrichtlijn voor onze winkelcentra?
Rho adviseurs ondersteunt de gemeente Appingedam in de beroepsprocedure bij de Raad van State tegen het bestemmingsplan Stad Appingedam. Naar aanleiding hiervan werken wij op dit
moment samen met Bureau Stedelijke Planning en Locatus aan de handreiking ‘Hoe om te gaan met de Dienstenrichtlijn?’ Deze zal in de loop van dit jaar vrij beschikbaar komen. Toch kan het al zin hebben om een quickscan  te laten uitvoeren naar de sterke en (vooral) zwakke punten van uw bestemmingsplannen, winkelstructuur en -beleid. Dit biedt u de mogelijkheid om onderbouwd een voorbereidingsbesluit te nemen en aanvullend beleid op te stellen om zo eventuele problemen te voorkomen.
 

Risico inventarisatie Dienstenrichtlijn (Ridr)
Wilt u weten of de bestemmingsplannen in uw gemeente voldoen aan de Europese Dienstenrichtlijn? Neem dan contact op met ons. Wij kunnen vrij snel een Risico inventarisatie Dienstenrichtlijn (Ridr) uitvoeren voor al uw bestemmingsplannen.


Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met onze adviseurs Mark Geerts en Remko Bak.
 

Posted by Eric van der Aa on 12/10 at 10:44 AM

Stickstofdiscussie is terug bij af

De uitspraak van het Europese Hof inzake het Programma aanpak stikstof (PAS) levert niet de gehoopte duidelijkheid; de bal ligt weer bij de Raad van State die moet beoordelen of de wetenschappelijke onderbouwing onder het hele kaartenhuis voldoende is. Tekenend voor de vaagheid van deze uitspraak is dat verschillende deelnemers in het stikstofcircus hun eigen gelijk claimen, schrijft onze adviseur Eric van der Aa in zijn blog in het vakblad Toets

Posted by Risto Louws on 09/17 at 08:08 PM

Energietransitie in Zeeland vraagt omdenkers en lef!

De provincie Zeeland legt in het aangepaste Omgevingsplan een belangrijke basis voor de Zeeuwse energietransitie. De energietransitie is een enorme opgave. We moeten af van de fossiele brandstoffen en onze energie uit hernieuwbare bronnen halen. Op dit moment is elektrificatie (uit met name wind- en zonne-energie) daarvoor het meest reële alternatief. Op termijn kunnen daar andere energiebronnen bijkomen, zoals waterstof.

Wat is de opgave in Zeeland?
Om in 2050 energieneutraal te zijn moet voor de Zeeuwse huishoudens (inclusief kleine bedrijven, kantoren en maatschappelijke voorzieningen) minimaal 25,5 PJ (Pèta Joule) duurzaam worden opgewekt. Die energiebehoefte bestaat uit drie onderdelen:

  • verwarming (7,5 PJ);
  • vervoer (7,5 PJ);
  • elektriciteitsgebruik (10,5 PJ).
Daarnaast is nog eens  85 PJ aan duurzame energie nodig voor de industrie.
 
Die 25,5 PJ voor de Zeeuwse huishoudens is zuinig becijferd. Letterlijk en figuurlijk. Op dit moment is de energiebehoefte huishoudens ruim 40 PJ. Er is dus al rekening gehouden met een fikse energiebesparing, onder meer  door de isolatie van woningen.
 
Wat is de provinciale ambitie?
Op dit moment wordt in Zeeland 4 PJ duurzaam opgewekt, vooral door middel van de windturbines. In de herziening van het Omgevingsplan Zeeland 2018 zet de provincie in op 10 PJ duurzame energie uit wind, water en zon. Overigens wordt er niet bij vermeld wanneer die doelstelling moet worden bereikt.

Met deze ambitie zet de provincie in op het duurzaam opwekken van elektriciteit voor de Zeeuwse huishoudens. Daarmee worden de Zeeuwse huishoudens voor veertig procent energieneutraal. Ongewis blijft nog hoe de andere zestigt procent van de energiebehoefte van de huishoudens (voor ons vervoer en onze verwarming) duurzaam gaat worden opgewekt.
 
Hoe wordt de provinciale doelstelling gerealiseerd?
De provincie verwacht dat de doelstelling als volgt kan worden gerealiseerd:
  • enkele extra windenergieprojecten, maar zonder de concentratiegedachte los te laten;
  • stimuleren ‘zon op dak’
  • aanvullende ruimte voor zonprojecten in combinatie met andere functies, met behoud van omgevingskwaliteit;
  • verder ziet de provincie volop kansen om energie uit water te halen. 
Hoe groot is de opgave echt?
Het opwekken van 6 PJ extra duurzame energie is een grote opgave. Het gaat daarbij om:
  • 180 tot 240 grote nieuwe windturbines;
  • 1.800 tot 3.000 ha zonnevelden;
  • 600.000 daken met zonnepanelen.
Om de Zeeuwse huishoudens energieneutraal te maken, zou die ambitie nóg 15 PJ groter moeten zijn. Uitgaande van 25 PJ elektrificatie is nodig:
  • 630 tot 840 grote nieuwe windturbines;
  • 6.300 tot 10.500 ha zonnevelden;
  • 2.100.000 daken met zonnepanelen. 
Om altijd voldoende energie op de juiste plek te hebben, zal energie moeten worden opgeslagen en getransporteerd. Conversie van energievormen is daarbij noodzakelijk. Denk bijvoorbeeld aan de opslag van elektriciteit in accu’s en het omzetten van water in waterstofgas (met behulp van elektriciteit). Om een sluitende energiebalans te krijgen, is dus méér nodig dan het plaatsen van windturbines en zonnepanelen. Dat vergt bovendien nog veel technologische ontwikkeling.
 
Lef en omdenken nodig
De energietransitie is dus een grote opgave - een technologische, maatschappelijke en ruimtelijke opgave. De komende tijd zal de techniek voor het opwekken, transporteren en bewaren van hernieuwbare energie nog met sprongen vooruitgaan.

Om in de buurt te komen van de opgave zullen we desondanks moeten accepteren dat het Zeeuwse landschap ingrijpend verandert. In dat opzicht is het provinciaal beleid erg terughoudend. Uiteraard zullen we de waardevolle delen van het landschap goed moeten beschermen, maar de geboden relatief kleinschalige mogelijkheden zullen niet voldoende zijn. Bovendien is de vraag of de impact op het landschap daarvan kleiner is dan van enkele grootschalige oplossingen. In plaats van de energietransitie als bedreiging te zien voor het landschap, is het nodig om vanuit kansen en mogelijkheden te denken. Het is nodig dat we onze energie richten op het creëren van nieuwe energielandschappen, die ook positief kunnen worden beleefd, in plaats van het tegengaan van de verandering van het landschap.

De energietransitie vraagt veel visie en lef van de Zeeuwse samenleving. De omvang en de ernst van de opgave illustreert dat er méér nodig is dan de bestaande beleidskaders oprekken: er is een tweede energierevolutie nodig. We moeten leren omdenken. Wat zou het mooi zijn als we dat in Zeeland niet zouden zien als een bedreiging, maar als een kans. Een kans om:
  • wezenlijk bij te dragen aan het terugdringen van de uitstoot van CO2;
  • een bijdrage te leveren aan technologische vernieuwing en economische ontwikkeling door koppeling van onderwijs, bedrijfsleven, beleidsmakers;
  • voorop te lopen bij het creëren van nieuwe energielandschappen, waar we als Zeeuwse samenleving trots op kunnen zijn.
Duidelijk is dat dat niet vanzelf zal gaan. We zullen buiten de bestaande kaders moeten treden. We hebben trekkers, werkpaarden en omdenkers nodig, die richting geven. Om dat te kanaliseren is een Commissie Energietransitie nodig: een Deltacommissie met visie, lef en ambitie. En met bestuurlijk mandaat. Omdenkers, die met zorgen dat we serieuze stappen zetten in de enorme opgave van de energietransitie.

Ik wens Zeeland het lef om zo’n commissie in het leven te roepen.
 

Posted by Koos Seerden on 06/21 at 08:33 AM

‘Appingedam’ als impuls voor nieuw winkelonderzoek

Kunnen er straks supermarkten en modewinkels worden gevestigd op meubelboulevards en in tuincentra? Het beperken van de gebruiksmogelijkheden binnen de bestemming detailhandel in bestemmingsplannen is niet meer vanzelfsprekend, maar blijft vooralsnog onduidelijk.

Ter bescherming van de bestaande detailhandelsstructuur en het beschermen van de vitaliteit van stadscentra worden in Nederland op veel plaatsen de gebruiksmogelijkheden binnen de bestemming detailhandel beperkt. Dit gebeurt op een aantal manieren:

  • op vrijwel alle tuincentra, bouwmarkten, meubel- en sportboulevards ligt een bestemming ‘detailhandel’ die wordt beperkt tot specifieke branches zoals uitsluitend een tuincentrum, uitsluitend een bouwmarkt met een minimale omvang, of uitsluitend winkels in woonartikelen met een bepaalde minimale omvang;
  • In veel centrumgebieden wordt in het bestemmingsplan het maximale aantal supermarkten vastgelegd;
  • In bepaalde winkelgebieden wordt bepaald dat een winkel een bepaalde minimale oppervlakte moet hebben.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van woensdag 20 juni 2018 gesteld dat het feit dat detailhandel - sinds het arrest van het Europese Hof uit januari 2018 – een dienst is en dus onder de Dienstenrichtlijn valt, niet maakt dat er géén beperking kan worden opgelegd aan de gebruiksmogelijkheden binnen deze bestemming.

Deze beperkingen moeten echter wel ‘noodzakelijk’ zijn voor het doel dat wordt beoogd. Bovendien moet de wijze waarop dat gebeurd ‘geschikt’ zijn om het doel te bereiken. Tenslotte moet de maatregel ‘evenredig’ zijn. Daarmee wordt bedoeld dat het beoogde doel niet ook met andere - minder beperkende - maatregelen kan worden bereikt.

Dit lijkt logisch. De praktijk van de winkelplanning en het bestemmen van specifieke detailhandel zoals tuincentra, meubelboulevards en dergelijke is echter anders. Hier worden meestal beperkingen aan het gebruik opgelegd met als enkele onderbouwing de stelling dat dit anders negatieve effecten heeft op het functioneren van  centrumgebieden.

De noodzaak van het door branchebeperking beschermen van het functioneren van centrumgebieden is vanaf nu een 'veronderstelling' en geen vaststaand feit meer!
In het geval van 'Appingedam' wordt volgens de Afdeling aan dit noodzakelijkheidsvereiste voldaan. Maar de Afdeling twijfelt over het antwoord op de vraag of aan de evenredigheidseis wordt voldaan. Bezien moet worden of het beoogde doel niet ook met andere minder beperkende branchering of andere maatregelen kan worden bereikt.

Onderbouwen

De Afdeling geeft in deze uitspraak aan dat het op deze wijze beschermen van centrumgebieden (slechts) gebaseerd is op een ‘veronderstelling’. Voor het eerst stelt de Afdeling dat deze veronderstelling expliciet moet worden onderbouwd. Oftewel: er moet worden aangetoond dat het inderdaad noodzakelijk is voor het betreffende centrumgebied dat er een bepaalde branchebeperking wordt opgelegd.

Die onderbouwing, vindt de Afdeling , moet worden onderbouwd op basis van een (objectieve) analyse met specifieke gegevens (data). Dit lijkt logisch, maar dat is in Nederland tot nu toe niet expliciet gebeurd.

De Afdeling doet in de uitspraak de suggestie om gebruik te maken van resultaten van onderzoek naar de effectiviteit van ruimtelijk detailhandelsbeleid op landelijk, provinciaal of lokaal niveau, of gegevens ontleend aan koopstromenonderzoek, en meer specifiek naar onderzoek naar detailhandel in krimpregio’s. Veelal echter is er bij dergelijke onderzoeken het huidige brancheringsbeleid een belangrijke factor, vaak is dit een impliciet uitgangspunt.

Bovendien is het realistisch om te bedenken dat de concurrentie voor centrumgebieden niet alleen meer vanuit winkels op andere plekken komt, maar nadrukkelijk ook vanuit het internet.

In Nederland voeren we al meer dan dertig jaar een relatief consistent beleid, gericht op het beschermen van stadscentra, vooral via branchebeperkingen. Hoe kun je onderbouwen dat dit beleid - voor deze specifieke situatie - noodzakelijk is, wanneer er nauwelijks voorbeelden zijn van situaties waarin dit op grote schaal niet is gebeurd? De Raad van State stelt onderzoekend Nederland daarmee voor een uitdaging.

De vraag wordt bij ‘Appingedam’ gesteld in verband met het beperken van de branches die gebruik mogen maken van een locatie. Hoe doen we dit echter met het beperken van bijvoorbeeld het aantal supermarkten in een gebied of met het vastleggen van een bepaalde minimum of maximale omvang van winkels in gebieden, zonder dat duidelijk wordt dat er dan sprake is van economische ordening? Economische ordening mag niet. Ook niet binnen de huidige praktijk

Anders

Zou het beoogde effect ook niet met minder verstrekkende maatregelen kunnen worden gerealiseerd?

De Raad van State vraagt zich ook af: zou het beschermen of ondersteunen van de vitaliteit van een stadscentrum niet ook op een andere manier kunnen plaatsvinden: ,,evenmin kan worden beoordeeld of de raad redelijkerwijs heeft kunnen concluderen dat de opgenomen branchebeperking niet verder gaat dan nodig is om het beoogde doel te bereiken en dat dat doel niet met andere , minder beperkende middelen kan worden bereikt.’’

Oftewel: kan objectief worden onderbouwd dat het effect, dat nu wordt beoogd met de branchebeperking, niet op een andere wijze worden bereikt? Ook hier ligt er een uitdaging voor onderzoekend Nederland. We hanteren deze aanpak al meer dan 25 jaar. We hebben ons met z’n allen in die periode nauwelijks of niet afgevraagd of het ook anders kan.
 
Blijven provinciale verordeningen overeind?

Provincies hebben in hun verordeningen expliciete beperkingen voor detailhandel buiten stadscentra opgenomen, zowel naar branches als naar maatvoering van winkels. De provincie Zuid-Holland gaat zelfs zó ver, dat men de verkoop van jacuzzi’s expliciet heeft geregeld en voor bouwmarkten en tuincentra een ondergrens hanteert van 1.000 vierkante meter winkelvloeroppervlakte (wvo). Bij mijn weten is nergens aangetoond wat de noodzakelijkheid is van deze grens. Gaat er bij 900 m² wvo iets mis? Waarom draagt de verkoop van jacuzzi’s niet bij aan het functioneren van een gebied en de verkoop van piano’s wel?
 
Nog geen duidelijkheid – veel bestuurlijke lussen?

Vooralsnog is alleen duidelijk dat er geen vanzelfsprekendheden meer zijn. Er is nog geen echte houvast wat volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is toegestaan qua beperking onder de Dienstenrichtlijn en wat niet. Wat zeker is, is dat voor veel, voor bepaalde partijen zeer gunstige locaties, geen adequate onderbouwing van de branchebeperking is gemaakt.

Verloven ingetrokken?!

Voor gemeenten en andere partijen is het zaak om zicht te hebben op welke locaties een detailhandelsbestemming ligt mét een beperking én op welke wijze deze beperkingen zijn geregeld. Voor gemeenten is het van belang het risico te bepalen en na te denken over maatregelen. Marktpartijen kunnen hun kansen in beeld brengen.
Het is raadzaam voor provincies om nog eens naar de verordeningen te kijken. Zijn ze noodzakelijk – evenredig en is de inhoud te onderbouwen? De vraag stellen is…

Vervolgens moet onderzoek worden uitgevonden en getest ter onderbouwing van de beperkingen, zowel naar noodzaak als naar evenredigheid.
 
In het voorgaande hebben we het alleen nog maar gehad over de gevolgen van de Dienstenrichtlijn voor de planologische regeling van detailhandel. Er zijn echter meer diensten, waarbij in bestemmingsplannen beperkingen zijn opgenomen, zoals recreatieve dienstverlening (zoals verhuur van recreatiewoningen en horeca) tot persoonlijke dienstverlening (zoals kapsalons) of zakelijke dienstverlening (kantoren).

Voldoende uitdagingen om het sinds jaren relatief standaard winkelonderzoek een nieuwe impuls te geven.

Werk aan de winkel dus, in meerdere opzichten!

Posted by Admin on 05/23 at 12:43 PM

Wat twee jaar Ruimtelijk Traineeship mij leert

Rho adviseurs is partner in het Ruimtelijk Traineeship, een project waarin vier trainees een vier keer halfjaar meelopen bij verschillende organisaties. In september start de tweede lichting van het traineeship en we zijn hard op zoek naar (recentelijk) afgestudeerde stedenbouwers en landschapsontwerpers: Ben je nu ook benieuwd? Lees de blog die trainee Abel Coenen schreef over zijn ervaring en  bekijk snel de vacature voor het traineeship. 

Bijna twee jaar geleden begon ik aan het Ruimtelijk Traineeship in Rotterdam. Samen met drie andere trainees heb ik in twee jaar tijd bij vier verschillende bureaus gewerkt, waaronder Rho adviseurs voor leefruimte. Met nog slechts een paar maanden te gaan is het traineeship bijna afgelopen en zal na de zomer een tweede lichting starten. Het is een ervaring geworden die een ijzersterke basis zal vormen voor de rest van mijn werkzame leven.

Bijzonder is de dynamische opzet van het traineeship: elke werkplek biedt een eigen, nieuwe ervaring. De waarde van het traineeship is daarmee veel meer dan de som van de vier halfjaren. De opzet zorgt ervoor dat je in een korte tijd een brede ontwikkeling doormaakt die één werkplek onmogelijk kan bieden.

Door de halfjaarlijkse wisseling tussen de bureaus ontwikkel je je razendsnel op professioneel gebied, want de hoeveelheid vaardigheden en kennis die je meekrijgt is groot en divers. Of het nou bij de gemeente Rotterdam is, waar je voelt hoeveel je kan betekenen om als ontwerper aan de meest progressieve stad van Nederland te werken. Bij Lola landscape architects, waar je werkt aan projecten met hoge ambitie vanuit een sterk ontwerpende basis. Bij Rho adviseurs, waar je in de volledige breedte en realiteit van de ruimtelijke ordening meedraait. Of bij plein06 waar je groeit als ontwerper die precies snapt waar de opdrachtgever behoefte aan heeft.

De modules die het traineeproject aanbiedt spelen daarbij een ondersteunende rol en dwingen om bewust te reflecteren op de vaardigheden die je tijdens je werk opdoet. Om kennis te nemen van zaken waarmee je wellicht niet elke dag te maken hebt, zoals offertes maken, een bureaustrategie analyseren, bomen planten en een bouwplaats bezoeken. Alle facetten van het werk als ontwerper komen zo in korte tijd langs.

Door vanuit vier verschillende invalshoeken met landschapsarchitectuur bezig te zijn, leer je een sterkere landschapsarchitect te worden. Ik heb in twee jaar voortdurend geschakeld tussen rollen als ontwerper, procesbegeleider, stadsmaker, adviseur, onderzoeker en ondernemer. Maar in welke rol voel ik me nou het meest thuis? Waaruit haal ik mijn energie? Maar ook: zijn er grenzen aan wat ik wil doen in mijn werk? Dergelijke vragen heb ik mezelf de afgelopen twee jaar regelmatig gesteld. Het traineeship heeft me zo nieuwe inzichten gegeven over zowel het vakgebied als over mijzelf daarbinnen.

Als je pas bent afgestudeerd, denk je vanuit je studie een redelijke bagage mee te hebben gekregen om aan de slag te kunnen. Ook denk je een beeld te hebben van hoe het werkende leven eruit zal gaan zien. Dat is ten dele waar; het echte groeien in je vak begint dan echter pas.

Zo groei je ook doordat je omgeving steeds verandert. Zelf ben je daarin de enige constante. Je leert omgaan met onverwachte situaties, nieuwe indrukken en verschillende rollen als ontwerper. Dat maakt je sterker en zelfstandiger in je vakgebied. Elk halfjaar wisselen van baan betekent namelijk ook elk halfjaar een gedwongen wisselmoment. Al je projecten los moeten laten en van voren af aan opnieuw beginnen. Niet omdat het werk af is of omdat het niet bevalt, maar omdat je door moet naar de volgende uitdaging.

Maar steeds opnieuw een bureau en zijn cultuur leren kennen kost energie; steeds weer je plek daarbinnen vinden kost tijd. Steeds als je per halfjaar het meest op je plek bent, staat het wisselmoment alweer voor de deur. Het is zonde om abrupt te moeten stoppen en weer gedag te moeten zeggen. Om deze reden is het best zwaar om elke keer te moeten wisselen van omgeving en mensen.

Wat het traineeship me daarbij vooral heeft geleerd is wat ik zelf belangrijk vind in mijn werk. Meer nog dan de inhoud van het werk – alles is interessant als je je erin verdiept – telt met wie je het doet. Dat je prettig kan samenwerken met je collega’s en de mensen buiten je bureau. Weten ze te inspireren, kan je op een hoog niveau met elkaar sparren, hoe wordt er met elkaar gedeeld en samengewerkt? Dit tezamen maakt een omgeving waarin je je kan ontwikkelen tot iemand die sterk en zelfstandig in zijn vak kan staan.

Het Ruimtelijk Traineeship is daarmee een unieke ervaring waarbij je groeit in je vak en op persoonlijk vlak. Voor elke jonge ontwerper aan de start van zijn carrière is dit een briljant programma.

 

Posted by Admin on 04/25 at 10:24 AM

Landschap als vertrekpunt in het omgevingsplan

Het grasduinlandschap van de Omgevingswet wordt overal in Nederland fanatiek verkend. Maar wat is de weerslag van mantra’s als ‘vertrouwen’ en ‘loslaten’ op de kwaliteit van onze cultuurlandschappen? Drie concrete bouwstenen voor een omgevingsplan buitengebied dat landschappen van waarde weerbaar én wendbaar maakt.

De vormgeving en implementatie van de Omgevingswet is voor honderden landmakers een dagtaak. Maar met welk ruimtelijk resultaat? Wat wordt de weerslag van mantra’s als ‘vertrouwen’ en ‘loslaten’ op de kwaliteit van soms kwetsbare cultuurlandschappen? Of, uitgedrukt in Omgevingswetjargon, hoe blijven het benutten en beschermen van onze fysieke leefomgeving in balans?

Lees de rest van deze column in ons 'reisverslag' Bestemming Omgevingswet
 

Posted by Martijn Kegler on 03/22 at 04:18 PM

De revolutie begint in Boekel. Wie volgt?

Met de vaststelling van het pilot-omgevingsplan voor het buitengebied heeft Boekel, als eerste gemeente in Nederland, een gedurfde en bijzondere stap gezet op weg naar de Omgevingswet. Het lag, gezien het imago van Boekel, voor de hand dat de gemeente de reis naar de Omgevingswet zou aanvangen en voorop zou lopen. Wat heeft deze pilot opgeleverd?

Boekel staat al jaren bekent als het Gallische dorpje in de ruimtelijke ordeningswereld. Boekel is één van de gemeenten waar de geest van de Omgevingswet de reis naar Den Haag is begonnen. De Volkskrant kopte al eens ‘De revolutie begint in Boekel’. Boekel liep voorop met onder andere het afschaffen van de welstandstoets en de baliebouwvergunning. De Boekelse cultuur en werkwijze, ook wel het ‘Boekels model’ genoemd is een inspiratie voor vele gemeenten in Nederland.

​Lees de rest van deze column in ons 'reisverslag' Bestemming Omgevingswet.





 

Posted by Eric van der Aa on 03/06 at 10:40 AM

Eindelijk realistische verstoringsafstanden

De effecten van recreatie op vogels zijn veel geringer dan altijd werd verondersteld, zo concludeert Eric van der Aa na het lezen van een recent onderzoeksrapport over 'verstoringsafstanden'. Zijn blog hierover is te lezen in het vakblad Toets.  

Posted by Stefan van Bogget on 01/12 at 09:05 AM

Een nieuw theater voor Meierijstad

Door Arjen van den Boogaart en Stefan van Bogget*
 
Vandaag vond de eerste voorstelling plaats in de nieuwe middenzaal van het theater op de Noordkade. Zoals zoveel andere activiteiten op de Noordkade is het theater ook “gewoon begonnen”. Bijzonder is het echter wel!
 
Industriële bakermat van Veghel
Met de herontwikkeling van de Noordkade is een tweede leven gegeven aan de mengvoederfabriek van de Coöperatieve Handels Vereniging (CHV) aan de Oude Haven, waar al in 1915 een grote graansilo verrees. Deze Wiebenga silo is inmiddels een Rijksmonument. Vanuit het gebied rond de Oude Haven (Heilig Hartplein, Noordkade, NCB-laan en Zuidkade) heeft de industrie in Veghel zich verder ontwikkeld tot de huidige economische motor met toonaangevende bedrijven. Met het hergebruik van de mengvoederfabriek blijft het CHV-terrein als industrieel erfgoed behouden voor toekomstige generaties. Daarom neemt de provincie Noord-Brabant via het ontwikkel- en investeringsprogramma de Erfgoedfabriek ook deel in deze gebiedsontwikkeling.



Organisch groeien
Rond 2008 werd definitief duidelijk dat de CHV-mengvoederfabriek zijn functie zou gaan verliezen. Het hergebruik van het terrein en de gebouwen is te danken aan bouwondernemers Stefan en Frank van de Ven, die werden gegrepen door de authenticiteit van de robuuste gebouwen en de verhalen van (voormalige) werknemers over de mengvoederproductie. Door het terrein aan te kopen en diverse kunstenaars, artiesten en de Stichting Industrieel Erfgoed Meierij (SIEMEI) in staat te stellen ruimten in gebruik te nemen en zichzelf en het terrein te tonen aan belangstellenden, is “gewoon begonnen” met de herontwikkeling.
 
In 2011 is het concept voor de herontwikkeling van het gebied uitgewerkt in een masterplan door Pi de Bruijn. De centrale gedachte van dit masterplan: “Culturele bedrijven en ondernemers brengen op Noordkade kunst, cultuur en food samen”. In combinatie met de industriële achtergrond, levert dit een unieke en onderscheidende locatie op waar veel kansen liggen. Vervolgens zijn door te “tuinieren” met de mogelijkheden van de gebouwen diverse partijen geïnteresseerd voor het gebied. Cruciaal hierin was het besluit in 2012 van de gemeente Veghel (nu Meierijstad) om deel te nemen in de gebiedsontwikkeling en alle kunst- en cultuuractiviteiten te concentreren op de Noordkade . Met de komst van de servicebioscoop Industry, restaurant Wittern, restaurant P’rooflokaal (nu Silly Fox) en evenementen in de Koekbouw kreeg het gebied tegelijkertijd een stevige commerciële impuls.
 
Met de intrek van de stichtingen Phoenix Cultuur (muziek, dans, cultuureducatie, Kreatech), Kunstgroep De Compagnie (voorstellingen, exposities), Cultuurhaven Veghel (zalenverhuur, Afzakkerij), Fabriek Magnifique en de komst van jongerencentrum De Kluis op de Noordkade is in 2013 fase 1 van het kunst- en cultuurcluster (nu Cultuurfabriek Noordkade)  in gebruik genomen. Eind 2013 is door de gemeente en het bestuur van theater De Blauwe Kei besloten de theaterfunctie (als fase 2 van het kunst- en cultuurcluster) van het Stadhuisplein te verplaatsen naar de Noordkade en kon de planvorming voor de nieuwe zalen beginnen. In de loop van 2015 en in latere jaren zijn ook de Jumbo Food Markt en Academy, Pieperz (beste friet van Brabant), de Proeffabriek (waarin lokale ondernemers hun producten bereiden en verkopen), de Escape Room en cursussen van het ROC in het gebied van start gegaan.
 
Het nieuwe theater en de brug
Met de realisatie van de nieuwe theaterzalen, in combinatie met de bouw van de brug die de Noordkade met de Zuidkade verbindt, wordt nu de volgende ambitieuze stap gezet in de gebiedsontwikkeling. In de nieuwe middenzaal en foyer (een ontwerp van architect Kurt Gouwy) kunnen, afhankelijk van het type voorstelling of congres, tot 700 bezoekers worden ontvangen. Daarnaast worden er drie kleinere zalen in gebruik genomen, te weten de Podiumzaal (235 stoelen), het Magazijn (100 stoelen) en de Theaterstudio (65 stoelen). De totstandkoming en de exploitatie van het nieuwe theater is evenals bij het kunst- en cultuurcluster fase 1 een samenwerkingsverband tussen Noordkade Ontwikkeling (bouw en eigenaar casco theater en foyer), de gemeente Meierijstad (huurder en investeerder in theatertechniek en inventaris) en de stichting Cultuurfabriek Noordkade, waarin de theaterfunctie van De Blauwe Kei is ondergebracht (exploitant).



Tegelijk met de ingebruikname van het nieuwe theater wordt de op 19 december jl. geplaatste brug over de Oude Haven afgebouwd. De brug bestaat uit een openbaar toegankelijk deel en een brugdeel dat specifiek door Jumbo kan worden gebruikt en sluit direct aan op de foyer van het theater. Door de brug wordt de Noordkade voorzien van een extra toegang voor bezoekers. Aan de zijde van de Zuidkade worden meer dan 100 extra parkeerplaatsen gerealiseerd. Momenteel wordt ook de uitbreiding van het hoofdkantoor van Jumbo aan de Zuidkade (Jumbo Tech Campus), die aansluit op de brug, binnen een samenwerking tussen Jumbo, Bouwbedrijf Van de Ven en de gemeente Meierijstad voorbereid.



Dynamiek
De Noordkade blijft in beweging! Voor de uitbreiding van verschillende functies zijn er alweer plannen in ontwikkeling. Daarnaast wordt de openbare ruimte binnen het gebied fasegewijs verbeterd. Dit gebeurt onder meer doordat Noordkade Ontwikkeling in samenwerking met de gemeente Meierijstad een reconstructie van de weg tussen het Heilig Hartplein en de silo’s op het terrein gaat uitvoeren. Hierdoor wordt de entree van de Noordkade langs de Oude Haven aantrekkelijker voor fietsers en voetgangers.
 
In de directe omgeving van de Noordkade blijft de dynamiek onverminderd hoog. Zoals gezegd wordt het hoofdkantoor van Jumbo uitgebreid met de Tech Campus en is ook buurman Friesland Campina bezig met de uitbreiding en optimalisering van zijn bedrijfsvoering  aan de NCB-laan (met de restwarmte uit de bedrijfsvoering van Friesland Campina wordt het Noordkade-complex verwarmd). Een belangrijke ontwikkeling is voorts de verbreding van de provinciale weg N279 naar 2 x 2 rijstroken ter hoogte van de kern Veghel. Dit betekent onder meer dat een aanpassing van de aansluitingen NCB-laan en Zuidkade zal plaatsvinden.
 
Projectmanagement
Vanwege de hoge mate van dynamiek in de (deel)projecten en de omgeving is er veelvuldig overleg met direct betrokken partijen en diverse adviseurs in stuurgroepen, werkgroepen, ontwerp- en bouwteams. Daarbij is de centrale insteek, dat de projectorganisatie bijdraagt aan het ontwikkelen van tempo om te komen van idee c.q. schetsplan naar realisatie. Dit vergt een belangrijke inspanning van alle partijen wat betreft de wijze van samenwerking en het respecteren van wederzijdse belangen. Een belangrijk element in de planvorming is daarnaast het tijdig delen en bespreken van ideeën en ontwerpen met omwonenden. De projectorganisatie is geformeerd  rond een aantal gezamenlijk gedragen resultaten:

  • Bouw van casco en afbouw (theatertechniek en inrichting) van het kunst- en cultuurcluster fase 2 (middenzaal, tussenzone, kleine zalen);
  • Bouw van de brug Noordkade-Zuidkade;
  • Transitie organisatie Blauwe Kei naar theaterorganisatie Noordkade (ontwikkeling organisatie Cultuurfabriek Noordkade);
  • Te maken (contract)afspraken tussen gemeente Meierijstad, eigenaar (Noordkade Ontwikkeling) en gebruiker (Cultuurfabriek Noordkade/De Blauwe Kei);
  • Realisatie ambitie reconstructie openbare ruimte;
  • Totstandkoming afwijkingen van bestemmingsplannen en omgevingsplan;
  • Afstemming met provincie over invulling provinciale objecten;
  • Bouw van de Jumbo Tech Campus (afstemming tussen gemeente Meierijstad en Jumbo over de uitbreiding van het hoofdkantoor).


Kom naar de Noordkade!
In de afgelopen jaren hebben al veel bezoekers hun weg naar de Noordkade gevonden. Nu het theater zijn deuren heeft geopend, is het toch al omvangrijke aanbod op het gebied van kunst, cultuur en food nog verder uitgebreid. Met het nieuwe theater is de Noordkade dé centrale plek voor (professionele) voorstellingen in Meierijstad en een bezoek meer dan waard!
 
 
* Arjen van den Boogaart (Louter projectmanagement) en Stefan van Bogget (Rho adviseurs voor leefruimte) zijn als projectmanager namens de gemeente Veghel (nu Meierijstad) verantwoordelijk  (geweest) voor de gebiedsontwikkeling Noordkade-Zuidkade.
 
 

Posted by Eric van der Aa on 01/09 at 11:50 AM

De Haagse oplossing voor de mestfraude

Hoe reageert de Haagse politiek op recente onthullingen over grootschalige mestfraude? Eric van der Aa verbaast zich in zijn column in het vakblad Toets

Posted by Guido van Loenen on 12/11 at 10:20 AM

#Hoedan

In de gemeente Beuningen worden duidelijke doelen gesteld als het gaat om energietransitie. In een gebiedsproces met de samenleving gaan we met een missie op pad, zo schrijft Guido van Loenen in een column in het magazine Ruimte+Wonen. Je leest zijn bijdrage hier.  

Posted by Admin on 10/30 at 08:12 AM

Parkeernormen staan geparkeerd



‘De gemeente toetst uw aanvraag met behulp van de vastgestelde parkeernormen’, zo valt te lezen op de website van een willekeurige gemeente. Voor ieder te realiseren bouwplan eist een gemeente dat het plan voldoet aan de geldende parkeernorm. Maar zijn de gemeentelijke parkeernormen nog van deze tijd? Te vaak toetsen we bouwplannen aan achterhaalde cijfers. Acht, negen en soms wel tien jaar oude documenten zijn de basis voor het bepalen van de parkeerbehoefte van een toekomstbestendige ontwikkeling. Wat gaat hier fout?

De afgelopen maanden heb ik mij geregeld met verbazing gebogen over parkeervraagstukken. Vaak in opdracht van ontwikkelaars, maar in afstemming met de gemeente. Zo vroeg een gemeente ons rekening te houden met het feit dat de plaatselijke parkeernorm vandaag de dag niet meer aansluit bij de kenmerken van het projectgebied. Met de achterliggende vraag of wij rekening konden houden met een voorstel om af te wijken van de geldende parkeernorm middels ontheffing. Bij een andere gemeente liep de discussie vast op de vastgestelde minimale en maximale parkeernorm. Want het autobezit in een bepaalde kern van de gemeente week inmiddels dermate af van het gemiddelde, dat de geldende parkeernorm hier wellicht niet meer passend zou zijn.
 
Kortom, door gebrek aan actuele parkeernormen rekenen we ons suf met verouderde cijfers. Past een ontwikkeling niet? Dan toch maar een bouwlaag minder om onder aan de streep goed uit te komen, toch? Dit gaan ten koste van het bouwplan en bijkomende voordelen. Zonde! En wanneer dat plan uiteindelijk is gerealiseerd, dan stellen we hele andere eisen aan bereikbaarheid, leefbaarheid en personenmobiliteit. We maken namelijk een enorme transitie door. De zelfrijdende auto gaat zijn intrede doen en de (elektrische) fiets helpt ons steeds grotere afstanden overbruggen. Daarnaast zijn er hoogwaardige openbaar vervoerverbindingen ontstaan in en rondom onze steden. Om  nog maar te zwijgen over smart mobility-concepten.

Ja, er zijn gemeenten die wél werken met nieuwe parkeernormen. Hierin worden ontwikkelingen zoals bijvoorbeeld autobezit nauwkeurig meegenomen. Uit recent onderzoek van het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (Kim) blijkt dat tussen 2005 en 2017 het autobezit met twaalf procent is toegenomen. De groei zit vooral bij 65-plussers, bij jongvolwassenen is het autobezit afgenomen (Mobiliteitsbeeld 2017, KiM). Niet verwonderlijk dat de gemeente Amsterdam bij de nieuwe parkeernormen in bepaalde gebieden geen minimale parkeernorm meer hanteert. Want Amsterdam ziet het autobezit al jaren afnemen in met name ‘jonge’ stadsdelen en verwacht dat deze trend de komende jaren doorzet.

Door het schrappen van een minimale parkeernorm krijgen ontwikkelaars ruimte. Ruimte om nieuwe trends in mobiliteit een plek te geven in de planvorming. Daarnaast zijn er hierdoor minder beperkingen voor ontwikkelaars bij (nieuw)bouwprojecten. Dit past in het beeld van de aanstaande Omgevingswet. Het omgevingsplan,  onderdeel  van deze nieuwe wet en opvolger van het bestemmingsplan, maakt ruimte voor maatwerk en schrijft minder regels voor. Parkeernormen moeten straks ‘landen’ binnen deze nieuwe wet.

Ik zeg: genoeg redenen om parkeernormen te herzien! Wij denken graag met u en de gemeente mee. Eerst kijken we uit naar de preview van de nieuwe CROW-parkeerkencijfers tijdens het nationaal verkeerskundecongres. Veel gemeenten zijn met de parkeernormen volgend aan deze kencijfers. Wellicht komen de parkeernormen daarom sneller uit de ‘parkeerstand’ dan we nu vermoeden.

 

Posted by Stefan van Vessem on 10/20 at 09:46 AM

Vergunning is meer dan opsomming van verplichtingen



In mijn eerdere blogs heb ik aangegeven hoe belangrijk een voortraject is in een vergunningprocedure. Uit alle berichten en conceptstukken blijkt daarnaast dat de nieuwe Omgevingswet volledig inzet op het voortraject van een procedure. Nóg meer dan onder het huidige regime van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Al die dure onderzoeken die worden geëist door een gemeente of provincie. Als overheid jaagt je een initiatiefnemer op enorme kosten. Kan dat niet anders?

Het antwoord is, als zo veel dingen, niet zwart of wit. Ik zal de laatste persoon zijn die beweert dat al die onderzoeken niet veel geld kosten. Ik wil in dit blog alleen wijzen op de andere kant van die verleende vergunning. Het is namelijk echt meer dan enkel een verzameling van voorschriften die je verplichten binnen kaders te blijven en waarvoor je een vermogen aan ‘nutteloze’, tijdelijk houdbare onderzoeken uitvoert. Of het nu gaat om een omgevingsvergunning bouwen, afwijken van bestemmingsplan, Waterwetvergunning of een omgevingsvergunning milieu. Een vergunning legt niet alleen beperkingen op. Het geeft je ruimte om je plan te verankeren in wetgeving. Het levert je rechten op!

Ik geef een voorbeeld: bedrijf X vestigt zich op een industrieterrein. Bekend is dat de beschikbare ruimte op het gebied van geluid niet enorm groot is. Bedrijf X voorziet voor de toekomst echter een verdubbeling van de benodigde oppervlakte. Dat zou in een tweede fase kunnen worden gerealiseerd. Neem je in de vergunning die beoogde bedrijfsuitbreiding mee of niet? Het benodigde onderzoek voor ‘fase 1’ is eenvoudiger en goedkoper. Het meenemen van fase 2 in je vergunning vraagt anticiperen op een situatie die nog niet bestaat. Lastig? Ja, kostbaarder? Ook ja. Verstandig? Ik zeg dubbel en dwars nog een keer ja!

Het nu claimen van die geluidruimte voorkomt dat de geluidruimte door de buurman zal worden ‘weggesnoept’. Een andere afweging kan zijn: stel dat ‘fase II’ nooit gaat worden gerealiseerd, heb ik dan voor niets dat hele uitgebreide vergunning traject opgetuigd? Mijn antwoord is nee! Dat opgetuigde vergunning traject heeft er namelijk toe geleid dat je bruikbare milieuruimte ‘in portefeuille’ hebt. Met de fysieke ruimte die in Nederland steeds beperkter wordt kan de investering in een uitgebreid vergunning traject met zorgvuldige onderzoeken wel eens heel erg lonend zijn. Het terrein ‘fase II’ heeft namelijk vastgelegde milieuruimte, verworven rechten die klinkende munt waard is. Een mogelijke productieverdubbeling is verzekerd, in ieder geval aan de vergunningenkant. Zelfs bij het niet in gebruik nemen van fase II zou de investering aan de voorkant wel eens waardevoller kunnen zijn dan sparen op dit moment bij de bank.

Nu is bovenstaand voorbeeld met geluid tastbaar en vrij typisch. Het geldt echter ook voor alle andere gebieden zoals planologische verankering in een bestemmingsplan, externe veiligheid, geur of stikstofdepositie. Ook in je Waterwetvergunning of Wet natuurbeschermingsvergunning is ‘ruimte’ te verankeren. Dat laatste zeer zeker nu die bubbel nog niet gebarsten is zoals collega Eric van de Aa in zijn blog benoemt.

Een vergunning is dus zeker veel meer dan een opsomming van opgelegde beperkingen. Ik benadruk bij mijn klanten altijd de afweging van het vastleggen van rechten die een ruim ‘vergunningjasje’ voor de toekomst  kan opleveren. Onderwerpen als toekomstbestendigheid en ruimte om uit te breiden moeten in het voortraject niet worden onderschat. Een vergunning is namelijk meer dan een opsomming van verplichtingen.

 

 

 

Posted by Ruud Keesmaat on 10/03 at 03:43 PM

Hulp bij snelle herontwikkeling winkelcentrum Meppel



Meppel kent als middelgrote regionale centrumgemeente ook de nodige binnenstedelijke uitdagingen. Zo was met het faillissement van Vroom & Dreesmann en het vertrek van de Plus-supermarkt de loop naar winkelcentrum Keyserstroom er behoorlijk uit. Daarnaast speelde er een stevige discussie over  achterstallig onderhoud aan het op het dak gelegen parkeergarage.

Dat deze situatie niet kon voort duren werd het sterkst gevoeld door de eigenaar van het winkelcentrum. Hij benaderde de gemeente met een herontwikkelingsplan met toevoeging van horeca, entertainment (bioscoop en game-room) en ontmoetingsruimte, deels ter vervanging en aanvulling op de aanwezige winkelruimte.
Dit herontwikkelingsplan sluit goed aan op de structuurvisie van Meppel en viel daarom in goede aarde. Een goed plan met een investering van ettelijke miljoenen euro’s door de ontwikkelaar. De gemeente Meppel wilde graag mee werken omdat het plan een aantal doelen diende. Niet alleen vermindering van ruimte voor detailhandel, maar ook verlevendiging van het centrum en het tegengaan van leegstand. Daarbij kwam ook nog eens de renovatie van de door de gemeente beheerde parkeergarage, inclusief afspraken over onderhoud en beheer van de parkeergarage én de basis voor een nieuwe huurdersovereenkomst.

Rho adviseurs werd benaderd voor ondersteuning bij het onderhandelingsproces. Over de belangrijkste zaken was er overeenstemming en het zou, volgens de projectleider, slechts gaan om afronding van de onderhandelingen. Alles moest zeer snel afgerond zijn omdat de vastgoedeigenaar een aanstaande vakbeurs wilde gebruikten voor extra publiciteit. Maar, zoals vaker, verlopen dit soort processen minder vloeiend dan verwacht.

Nu de overeengekomen afspraken in een overeenkomst werden gegoten bleek er toch nog behoorlijk wat zaken niet geheel te zijn afgehecht of werden anders ‘begrepen’. Rho adviseurs schoof aan bij de onderhandelingen met als opdracht het helder en begrijpelijk houden van de afspraken over de feitelijke herontwikkeling en afhechting van de claims over het onderhoud van de parkeergarage. Maar wel: meer werk aan de winkel dan vooraf door de projectleider ingeschat. Bij het opstellen van contracten geldt dan: zorgvuldigheid voor snelheid. Dat bleek goed aan te sluiten bij de ideeën van de projectleider die mede door de steun van Rho adviseurs de wethouder daarvan kon overtuigen.

In een zeer flexibel en intensief traject hebben de financiële en juridische deskundigen van Rho adviseurs gezorgd voor goede afhechting van de met de ontwikkelaar gemaakte afspraken, vastgelegd in heldere contracten. Een anterieure overeenkomst voor de feitelijke ruimtelijke ontwikkeling én een vaststellingsovereenkomst voor de  aanspraken over  onderhoud en beheer van de parkeergarage. Naast de juridische vertaling heeft Rho adviseurs  ook gezorgd dat valkuilen zijn vermeden en dat de projectleider zich zeer gesteund voelde in zowel de onderhandelingen als in de advisering aan het college van burgemeester en wethouders.

Over de dienstverlening van Rho adviseurs was de opdrachtgever uiterst tevreden. Ondanks de hick up’s is de deadline toch gehaald en de afspraken zijn goed vastgelegd.

Posted by Eric van der Aa on 10/02 at 11:54 AM

Het PAS-kaartenhuis stort in

Onlangs blogde ik over het meetnet ammoniak in natuurgebieden en over het ontbreken van actuele meetresultaten. Na kritische Kamervragen heeft minister Van der Kamp (Economische Zaken) ervoor gezorgd dat deze metingen sinds vrijdag j.l weer openbaar zijn. En zoals verwacht: de ammoniakconcentraties in Natura 2000-gebieden zijn sterk gestegen - geheel tegengesteld aan de aannames in het overheidsprogramma Aanpak Stikstof (PAS) op basis waarvan de veehouderij al weer twee jaar fors mag uitbreiden.

​Lees hier mijn volgende blog over dit onderwerp op online kennisplatfor Toets.

Posted by Jan Kleefstra on 09/27 at 02:17 PM

Landbouw moet volgen, niet leiden



Hoe heeft het zo ver met de industrialisatie van ons landschap kunnen komen? Het antwoord daarop is vrij eenvoudig: we worden al decennialang geregeerd door boeren en jagers. Dat heeft geleid tot een industrieel ingericht agrarisch landschap waarin de economische exploitatie van het land voorop staat. Alle andere belangen en waarden hebben daarvoor moeten wijken. Tot nu. Het is de hoogste tijd voor een omslag.
 
Het ‘oude denken’ heeft ons internationaal in de top-drie gezet voor wat betreft de agrarische productontwikkeling, inclusief het dier de koe, grondopbrengst, agrarische technologie, export van betekenis, en meer van dit soort vooral economisch gelauwerde zaken. Er is veel opgeofferd om hier te komen ten gunste van een sector die ons landschap drastisch heeft gewijzigd en dat maar een marginale inbreng heeft in ons bruto nationaal product.
 
Daartegenover staan inmiddels hoge kosten en negatieve effecten. Zo zijn de kosten van de gezondheidszorg bijna niet meer op te brengen. Niet alleen de lichamelijke ziektes die voortvloeien uit de producten, ook het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen en veel antibiotica vormt een regelrechte bedreiging voor de menselijke gezondheid. Er is ook een toenemend mentaal gezondheidsprobleem: mensen ervaren geen geluk en welbevinden meer in de eigen omgeving die er doods en afgesloten bij ligt.
 
Hoge prijs
 
Daarnaast betalen we een hoge prijs om onze voeten droog te houden in het steeds verder inklinkende land. De kosten vanwege onder meer verzakkende infrastructuur en bebouwing worden hoger en hoger. Negatieve effecten zijn voorts het bijna uitgewoonde veenweidelandschap, waarin de landbouw op de huidige wijze niet al te lang meer kan worden voortgezet.
 
Datzelfde veenweidelandschap staat, vanwege de lage waterstand ten gunste van de moderne landbouw, hoog in de lijst van veroorzakers van CO₂-uitstoot in Nederland. De flora en fauna is vrijwel uit het agrarisch landschap verdwenen. Dat verlies aan biodiversiteit is niet alleen dramatisch voor de dieren en planten zelf, maar vormt ook een bedreiging voor ons welzijn en ons voortbestaan.
 
Op meerdere terreinen bundelen inmiddels burgers hun krachten omdat zij zich niet langer kunnen verenigen met de wijze waarop met de aarde wordt omgegaan. Een goed voorbeeld is de energietransitie waarbij op lokaal niveau energiecorporaties worden opgericht om niet langer afhankelijk te zijn van de grote maatschappijen.
 
Vanuit de samenleving ontstaat ook steeds meer weerstand tegen de gevolgen van de gangbare landbouw. De vele ziektes, de schandalen met voeding en de doodsheid van het industrieel landschap leiden ertoe dat mensen zich gaan verzetten. Er is al een omslag in het denken ontstaan: op lokaal niveau slaan burgers en boeren de handen ineen om op een andere, duurzame wijze met het landschap en de landbouw om te gaan. Daarbij is meer oog voor biodiversiteit en een evenwichtige duurzame balans tussen economie en natuur. Een mooie omgeving biedt veel grotere economische mogelijkheden en nieuwe impulsen.
 
Deze ontwikkeling past in het nieuwe denken waarvoor de Omgevingswet ruimte biedt. De nieuwe wet brengt een aantal thema’s in het fysieke domein samen. Onder fysieke leefomgeving worden veel meer ruimte voor kwaliteit en de waarden van de omgeving begrepen. Zij worden gebundeld in begrippen als ‘gezondheid’, ‘leefbaarheid‘, ‘duurzaamheid’ en ‘veiligheid’, mede ook in relatie tot de intrinsieke waarde van mens en dier.
 
Bedreiging
 
Als we de ontwikkeling van de landbouw van de afgelopen decennia afzetten tegen die nieuwe thema’s, dan scoort die landbouw op alle fronten negatief. De huidige op intensivering en grootschaligheid inzettende landbouw is niet langer leefbaar, is een bedreiging voor de gezondheid en is niet duurzaam.
 
Simpelweg is de conclusie gerechtvaardigd dat op basis van een goede gezonde en veilige fysieke leefomgeving het niet mogelijk is om de huidige landbouw en het huidige gebruik van het landschap vanuit het huidige economisch agrarisch perspectief voort te zetten. Het loslaten van de landbouw als enig economisch perspectief in het landelijk gebied is niet alleen noodzakelijk, maar is een logisch gevolg van de inrichtingsprincipes waarom de nieuwe thema’s vragen.
 
Dat het zo ver heeft kunnen komen is toch minder vanzelfsprekend als we kijken naar wat er allemaal aan beschermingsmogelijkheden (-verplichtingen) voorhanden is. Het voert te ver om al die verdragen, wetgeving, verordeningen en plannen te noemen. Maar, het is op zijn minst dubieus dat zó veel instrumenten niet leiden tot een goed beschermingsniveau. Ook zijn er talrijke onderzoeken waarin economisch perspectief van een mooi landschap, behoud van cultureel erfgoed, natuurgebieden, recreatie en toerisme én een veilige en gezonde leefomgeving prevaleren boven de inrichting enkel en alleen ten gunste van de landbouw.
 
Omslag

 
Alles wijst er op dat de huidige landbouw een omslag móet maken. Het oude denken van schaalvergroting en intensivering is passé gezien de fysieke staat van het landschap, de desastreuze ineenstorting van de biodiversiteit, de fysieke en mentale staat van de mens én het economisch perspectief. We kunnen niet langer in ons kleine land de illusie hooghouden dat we de hele wereld kunnen voeden. Het is niet langer te verkopen dat we de industriële landbouwachtertuin van Zuidoost-Azië zijn.
 
De Omgevingswet biedt de mogelijkheid tot een transitie van denken in het landelijk gebied. De overheid moet nu samen met de samenleving een keuze maken om een andere weg in te slaan, waarin de landbouw niet langer leidend, maar volgend is. Juist die omslag in denken biedt veel mogelijkheden voor een moderne en economisch duurzaam gezonde landbouw die veel beter aansluit bij de omgeving, uitgaat van een natuurlijk en duurzaam evenwicht en die met een menselijke maat van de samenleving deel uit gaat maken.
 
Tijdens meerdere bijeenkomsten met ondernemers, experts en burgergroeperingen klonk recent het algemene geluid dat het al lang geen vijf voor twaalf meer is, maar op zijn minst half één. Er is een grote urgentie om te komen tot een duurzamer, leefbaarder en gezonder leefomgeving, al was het alleen maar voor ons eigen voortbestaan.
 

Posted by Eric van der Aa on 08/11 at 09:12 AM

Bestaat het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden nog?

Hoe is het toch met het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN)? Na 'onthutsende' meetresultaten in 2014 is het wel heel erg stil geworden, schrijft onze adviseur Eric van der Aa in zijn column in vakblad Toets.

Posted by Admin on 07/14 at 01:10 PM

Windmolenpark Hattemerbroek een stap dichterbij

Windmolens. In Nederland zijn ze al sinds eeuwen aanwezig. Vroeger bedrijfsmatig gebruikt voor bijvoorbeeld het malen van meel uit graan, voor het zagen van planken uit bomen, voor het bemalen van polders en droogmalen van droogmakerijen. Deze windmolens zijn een belangrijk kenmerk geworden voor het Nederlandse landschap. Ze worden gewaardeerd door de Nederlanders, maar zijn vooral ook een toeristische trekpleister.



Tegenwoordig hebben windmolens een ander doel. De nieuwste windmolens zijn bedoeld om schone energie op te wekken; groene energie dus. Waar de windmolens van vroeger worden gewaardeerd, zijn de moderne molens vaak een onderwerp van discussie. In ieder geval onder de bewoners van de gebieden waarin ze worden geplaatst.

De realisatie van een windmolenpark - hoe groot ook - gaat vaak gepaard met langdurige procedures. De energieleveranciers zijn vóór de bouw van molens om zo groene energie te kunnen verkopen. De omwonenden zijn vooral tégen de bouw van de molens vanwege het uitzicht, schitteringen en geluidoverlast. Het gemeentebestuur en de -raad zitten hier tussenin en moeten de belangen goed tegen elkaar afwegen; duurzame energie versus overlast voor de omgeving. Een lastige afweging, omdat je nooit iedereen tevreden kunt stellen.

Dit gold ook voor het windmolenpark Hattemerbroek. Een windmolenpark dat nabij de provincialeweg N50 en het knooppunt Hattemerbroek in de gemeente Oldebroek moet komen. Een langlopend proces, waarbij veel hobbels moesten worden genomen. Op een gegeven moment leek het project zelfs te stranden.

De gemeente Oldebroek wilde toch graag door met dit project en ook de provincie Gelderland steunde het initiatief. Daarom werd ik in 2015 gevraagd om de gemeente te helpen. In de afgelopen twee jaar heb ik de gemeente, op detacheringsbasis, ondersteund bij de verschillende stappen in de procedure van het bestemmingsplan voor het park. Een plan-mer werd opgesteld, het bestemmingsplan werd opgesteld en al snel werd besloten om de coördinatieregeling van toepassing te verklaren. Daarmee werd besloten de procedures van de verschillende benodigde vergunningen en van het bestemmingsplan gelijktijdig te laten lopen. Een hele organisatie, omdat niet alleen ‘gewone’ omgevingsvergunningen nodig waren, maar bijvoorbeeld óók een watervergunning van het waterschap Vallei en Veluwe en een vergunning Wet natuurbescherming van de provincie Gelderland.

Ondanks deze complexiteit en de grote hoeveelheid ingediende overlegreacties en zienswijzen bleef de procedure vlot doorlopen. Alle betrokken partijen zetten zich hier vol voor in. Op 6 juli jl. kwam een bericht van de gemeentelijk projectleider in mijn WhatsApp: de gemeenteraad had het bestemmingsplan vastgesteld met een grote meerderheid; een fantastische mijlpaal in dit project.

De schop kan nog niet helemaal de grond in, want eerst staat nog beroep open tegen de genomen besluiten. Het schiet nu echter wel op. En dat is maar goed ook, want met de realisatie van het windmolenpark Hattemerbroek zijn we weer een stap dichter bij een duurzamer Nederland.

​Meer weten? Bezoek de speciale website en bekijk de video.

Posted by Ruud Louwes on 07/05 at 03:45 PM

De toekomst van dorpscentrum en woonboulevard

Stelt u zich eens voor dat u op de woonboulevard een meubelzaak en een bouwmarkt wilt bezoeken en u treft ook allerhande andere winkels aan, zoals een boekhandel, juwelier en de modezaken. Die verwacht u toch in het dorpscentrum? Het is de wereld op zijn kop, denkt u wellicht.

In ons Nederlands stelsel zijn we gewend aan een zo sterk mogelijk dorpscentrum met allerlei reguliere detailhandel en, aan de rand van de gemeente, een woonboulevard ingericht rond het thema wonen. Hiervoor gelden bestemmingsplannen waarin zo’n indeling is vastgelegd. Dit voorkomt leegstand in een centrumgebied door wegtrekkende winkels naar de woonboulevard.

Of we met ons Nederlands systeem voldoen aan de Europese Dienstenrichtlijn, daar zijn twijfels over. Sommigen vinden dat in een bestemmingsplan zo’n onderscheid tussen winkelbranches niet kan worden gemaakt. Dit wordt nog wel eens tussen marktpartijen en gemeenten uitgevochten. Doorgaans is de Afdeling bestuursrechtspraak in Den Haag het strijdtoneel. Op dit moment is het Hof van Justitie in Luxemburg de arena  waar de degens worden gekruist.

​Lees de rest van deze blog van collega Ruud Louwes op de website van het Platform voor Transformatie en Renovatie.
 

Posted by Eric van der Aa on 06/08 at 01:33 PM

Nederland geeft €1,25 miljard uit aan agrarisch stikstofcircus

De Nederlandse veehouderij staat voor het onvermijdelijke plan B: een forse inkrimping van de veestapel. Dat zegt adviseur ruimtelijke ordening Eric van der Aa van Rho adviseurs in een blog in het vakblad Foodlog. In twee afleveringen legt hij uit dat het mogelijk een verstandige aanpak is omdat de agrarische sector ruimte wegneemt veel rendabeler activiteiten in ons land.

​Je leest deel één hier. Deel twee lees je hier.


 

Posted by Joost Jansen on 05/17 at 08:54 AM

Ondergronds bouwen levert écht iets op

Er wonen steeds meer mensen in de stad en een schone, veilige en gezonde leefomgeving staat hoog op de agenda. Een aantal grote steden voert proeven uit gericht op het verbeteren van de leefbaarheid, de slimme en gezonde stad. Eén van die gemeenten is Schiedam.

 












Artist Impression BGSV/Moederscheim Moonen Architecten

In Schiedam is de veel besproken snelweg A4 tussen Schiedam en Vlaardingen in een landtunnel aangelegd en in Midden-Delfland in een verdiepte bak. Wat heeft het A4-project hier opgeleverd? Daarover vertelden het ministerie van Infrastructuur en Milieu en de gemeente Schiedam trots op het dak van de A4 tijdens een middagsymposium ‘mijn stad in beweging’. 

De A4 tussen Schiedam en Delft ligt er goed bij: je hoort hem (bijna) niet, je ziet hem (bijna) niet en je ruikt hem (bijna) niet. Helemaal ondergronds zou de beste oplossing zijn omdat hiermee alle barrières weggenomen zouden worden, maar dat was technisch niet mogelijk. 

Grote meerwaarde van het project is dat er nu sprake is van dubbel grondgebruik óp de tunnel. Er is een modern sportcomplex gerealiseerd en binnenkort wordt het park ingericht. Door het samenvoegen van verenigingen en nieuwe accommodaties professionaliseerde de sport en kwam op andere plekken in de stad ruimte vrij voor nieuwe woonmilieus. Er is nu meer bruikbaar groen in de stad en de verbindingen naar het groene Midden-Delfland zijn verbeterd.

Kortom, het heeft ‘even’ - meer dan vijftig jaar - geduurd, maar Schiedam is er beter op geworden.

Ondergronds bouwen levert dus écht wat op. Maar, waarom wordt er dan vrijwel nooit gelijk voor ondergronds bouwen gekozen?

Dat komt vooral omdat het duur is. En omdat het nu niet goed meetbaar is wat ondergronds bouwen oplevert: waardevermeerdering in het gebied, leefbaarheid, gezondheid, veiligheid, etc. Ook heeft ondergronds bouwen een negatief imago: het kost vaak meer dan vooraf bekend gemaakt of begroot, verzakkende gebouwen, lekkages en meer van dat soort verhalen.

Wat kunnen we doen om de ondergrondse keuze ook op de agenda te krijgen?

Beweeg mee! Tegenwerken levert uiteindelijk minder op. Ga sámen met de initiatiefnemer aan de slag als blijkt dat een ontwikkeling onvermijdelijk is. Zoek en benut de koppelkansen.

En ook: denk 3D! Overweeg ondergrondse alternatieven op plekken waar de ruimtevraag groot is of waar sprake is van grote knelpunten. Volledig ondergronds is het slimste. Landtunnels en half-verdiepte oplossingen blijven barrières en op half-verdiepte oplossingen is geen meervoudig ruimtegebruik mogelijk.

Zoek ook het momentum voor een besluit om ondergronds te bouwen. Organiseer maatschappelijke wens/druk en ga op zoek naar het geld. Met ondergronds bouwen kunnen meerdere problemen worden opgelost en meerdere kansen worden benut. Zoek de bijbehorende financiers.

Joost Jansen is adviseur ruimtelijke ontwikkeling

Posted by Martijn Kegler on 04/14 at 09:41 AM

Zonder keuze blijven Brabantse boer, burger en bestuur botsen

Als het gaat om gezondheid en veehouderij zitten boer, burger en bestuur niet op dezelfde golflengte. De tegenstellingen zijn zodanig dat ze niet op te lossen zijn zonder een actief voedselbeleid dat mede prominent wordt vormgegeven vanuit een omgevingsvisie.

Dat schrijft onze adviseur Martijn Kegler in zijn blog op het platform Foodlog. Je leest het blog hier.

Posted by Eric van der Aa on 04/12 at 09:26 AM

Blog Eric van der Aa in Toets-online over ammoniakbeleid en meten versus modelleren

Ik ben het zelden eens met de Nederlandse Vakbond Varkenshouders, maar nu moet ik toch een uitzondering maken. De NH3-Coalitie, waarin verschillende agrarische organisaties sinds kort samenwerken, wil dat er een nieuw ammoniakbeleid komt dat gebaseerd is op metingen in plaats van op aannames en berekeningen. Daar ben ik het helemaal mee eens.

De gehele tekst leest u op Toets Online.

Posted by Alexander on 03/16 at 12:30 PM

Beleid versus dynamiek in de supermarktbranche

Initiatiefnemers voor nieuwe supermarktontwikkelingen lopen regelmatig tegen de provinciale -, regionale en gemeentelijke beleidskaders aan. Vele supermarktketens zijn genoodzaakt om mee te gaan in de trend van schaalvergroting, maar kunnen vaak niet uitbreiden op de bestaande locatie. Wat is de beste locatie voor een supermarkt en wat betekent dit voor de bestaande winkelgebieden? Dit zijn vragen die niet eenduidig te beantwoorden zijn leiden tot botsende belangen.


Wat is het probleem?

Op veel plaatsen is er een behoefte aan grotere supermarkten die meer dan alleen de boodschappenfunctie vervullen. De gemiddelde omvang per supermarkt in Nederland is ongeveer duizend vierkante meter. Uit analyse van Retail Prospect blijkt dat veertig procent van de supermarkten een omvang heeft van achthonderd vierkante meter of kleiner. Een groot deel van de supermarkten wil graag uitbreiden.
 
Waar komt de wenst van schaalvergroting vandaan?

Concurrentie heeft supermarkten genoodzaakt tot flinke kostenbesparingen, maar ook tot vernieuwing. De focus is verlegd van prijs naar kwaliteit, ketenintegratie en winkelbeleving. De prijs is niet altijd meer de doorslaggevende factor voor de consument. De diepte en breedte van het assortiment (A-merken, huismerken, budgetmerken), de kwaliteit en duurzaamheid van de producten en de service onderscheidende elementen zoals bredere gangpaden, een ruimere productpresentatie en ‘blurring’-concepten (mengvorm detailhandel/horeca/dienstverlening) hebben gevolgen voor de inrichting van een supermarkt en daardoor ook voor het ruimtebeslag van een supermarkt. Supermarkten worden door deze trends en ontwikkelingen steeds groter. Doordat retailers vrijwel altijd op zoek zijn naar nieuwere en grotere vestigingen is de druk op de markt voor supermarktvastgoed hoog.
 
Schaalvergroting gewenst, maar waar?

Supermarkten kunnen zich in Nederland niet vrij vestigen. In de bestemmingsplannen zijn de supermarktlocaties vastgelegd waardoor de beschikbare locaties schaars zijn. De supermarktlocaties zijn daarnaast vastgelegd in beleidsdocumenten. De schaal waarop consumenten en marktpartijen opereren vragen om beleidskaders om een gelijk afwegingskader te creëren voor gemeenten, consumenten en bedrijfsleven. In de praktijk wordt doorgaans ingezet op het behoud en de versterking van bestaande winkelgebieden, waarbij de supermarkt vaak een belangrijke gebiedstrekker is.
 
Is afwijken van beleid mogelijk?

Bij ruimtelijk-economische afwegingen zou de consument centraal moeten staan. Vanuit deze gedachte is afwijken van het beleid in bepaalde gevallen gewenst. Supermarkten die willen uitbreiden binnen bestaande winkelgebieden lopen vaak tegen de fysieke en ruimtelijke beperkingen aan van de stedenbouwkundige structuur van deze winkelgebieden. In bepaalde gevallen biedt het detailhandelsbeleid de mogelijkheid om af te wijken door een initiatief te toetsen aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Enerzijds moet er behoefte zijn aan de uitbreiding van een supermarkt en anderzijds moet worden gezocht naar de best passende locatie.

Dit is bijvoorbeeld gelukt in Drunen, waarbij de Raad van State in haar uitspraak heeft geoordeeld dat, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken van het regionale- en gemeentelijke detailhandelsbeleid. De ‘beste’ locatie voor een supermarkt blijft echter maatwerk die vraagt om een zorgvuldige ruimtelijke afweging.

Remko Bak & Mark Geerts
Adviseurs Retail & ruimte

(Op 9 maart hebben Rho adviseurs Remko Bak en Mark Geerts de Expertmeeting ‘Supermarkten en beleid, botsende belangen?’ over dit thema bijgewoond. De expertmeeting werd georganiseerd door het netwerkplatform Supermarkt & Ruimte)

 

Posted by Stefan van Vessem on 03/14 at 12:38 PM

Hokjesdenken voorbij in procedureland!

Voordat de schop de grond in mag
Als vergunningenmanager sta je dicht bij het moment dat de ‘schop in de grond’ moet. De tijddruk tot het verkrijgen van een vergunning is daarom eigenlijk altijd groot. Ons vergunningenteam vraagt vergunningen aan voor de meest uiteenlopende ontwikkelingen,van industriële bedrijven tot een aanbouw aan een dijkwoning of voor allerlei infrastructurele projecten. Tussen deze voorbeelden lijken weinig overeenkomsten te zijn, behalve dat er in alle gevallen sprake is van een te doorlopen procedure en een wettelijke proceduretijd. Hier begint het Nederlandse hokjesdenken.
 
Reguliere en uitgebreide procedure
Nederland kent de Algemene wet Bestuursrecht (Awb). De Awb kent twee smaken voor vergunningprocedures. Men onderscheidt de reguliere en de uitgebreide procedure. De eerste duurt maximaal 14 weken voor bijvoorbeeld bouwactiviteiten, de tweede duurt minimaal 26 weken bij bijvoorbeeld milieuactiviteiten (de vroegere milieuvergunning). In de regel organiseren we een veelvoud van deze vergunningaanvragen. We zijn de ‘sparring partner’ van de ontwikkelaar en de ‘onderhandelaar’ om een vergunningaanvraag met voldoende ‘body’ beoordelingsgeschikt te maken. Doel is vervolgens dat een vergunningprocedure zo vlot mogelijk door het ambtelijk apparaat kan. Gezamenlijk en náást de vergunningverlener. In het geval dat er meerdere activiteiten tegelijk aangevraagd worden (bijvoorbeeld bouwen in combinatie met afwijken bestemmingsplan, milieu, of een werkzaamheden aan een nationaal monument) dan geldt de uitgebreide procedure van 26 weken en kan je ná die 26 weken op het vroegste moment aan de slag.

Sneller door de procedure kan!
In de praktijk leidt deze ‘koppeling’ vaak tot vertragingen en frustratie bij onze klanten. Echter… niet altijd! Het hokjesdenken hoeft niet leidend te zijn. In het land zijn inmiddels verschillende omgevingsdiensten, gemeenten en provincies waar instrumenten ontwikkeld zijn om de procedures te versnellen! Deze overheden en uitvoeringsdiensten bieden een dienstverlening aan waarbij vergunningen integraal en in één procedure binnen 14 weken met een gedoogbeschikking afgegeven worden. De spreekwoordelijke schop kan dan wel na 14 weken in de grond!

Een voorbeeld van deze versnelling is de dienstverlening van de Omgevingsdienst West-Brabant (OMWB), de intentieverklaring. Deze dienst vraagt een grotere flexibiliteit, een andere organisatorische insteek. De vergunningaanvragen moeten compleet zijn en op een degelijk niveau zijn ingestoken. Daarvoor zijn wij er graag, zie ook mijn blog niet uw project maar óns project! Maar het bewijs is er dat het kan! Ontwikkelingen kunnen sneller van de grond, buitenlandse ondernemers mijden Nederland niet langer voor het opzetten van productiefaciliteiten vanwege die 'papierhandel en tijdrovende processen'. Ontwikkelingen gaan sneller. Aanzienlijk sneller in ruimtelijke vraagstukken en aanzienlijk sneller bij vergunningvraagstukken.

Wie durft?
Ik ben een enorme voorstander van deze versnellingsroutes. Hulde voor de overheden die deze initiatieven hebben weten te realiseren! 100 punten. Wie volgt? Ik stel voor per direct te vernieuwen. Echt te vernieuwen. En laten we de nieuwe Omgevingswet daarvoor na 2019 gaan inzetten. Maar, wat mij betreft hoeven we echter niet te wachten en is het hokjesdenken nu definitief voorbij in procedureland, juist bij vergunningen!

Posted by Alexander on 03/07 at 08:29 AM

De Omgevingswet komt er aan: bereid je voor!

De Omgevingswet komt er aan. Niets aan de hand, zou je zeggen. Niets is minder waar, stellen Annette Zebel en Koos Seerden in hun column in bouwvakblad Cobouw. Je leest hun column hier: ​http://www.cobouw.nl/column/opinie/omgevingswet-komt-er-bereid-je

Posted by Eric van der Aa on 02/13 at 09:59 AM

Blog Eric van der Aa Toets Online: Jaarrond beschermde vogelnesten

Het fenomeen jaarrond beschermde nesten bestaat sinds 1 januari 2017 niet meer nu de nieuwe Wet natuurbescherming van kracht is. Het aantasten van dergelijke nesten vergde een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet, hetgeen in de praktijk zeer moeilijk was omdat een dergelijke ontheffing alleen verleend kon worden voor een belang dat in de Vogelrichtlijn wordt genoemd (veiligheid, volksgezondheid, bescherming van flora en fauna). Ik ben er altijd vanuit gegaan dat deze in 2009 door de wetgever opgestelde “Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten” goed doordacht was, ook al heb ik nooit een inhoudelijke onderbouwing per soort kunnen vinden.  

De gehele tekst leest u op Toets Online.

Posted by Eric van der Aa on 11/18 at 09:22 AM

Blog Eric van der Aa Toets Online: 100.000 hectare extra bos

Het plan van de Nederlandse bos- en houtsector voor het aanplanten van een extra Veluwe , verspreid over Nederland is over het algemeen positief ontvangen. Het belangrijkste motief van de initiatiefnemers betreft het vastleggen van CO2 maar ook de voordelen voor recreatie en natuur worden genoemd. Typerend is helaas de zure CDA-reactie, waarbij kamerlid Geurts twitterde dat dit plan “een enorme aanslag is op onze voedselproductie”. Hij zou toch beter moeten weten; de Nederlandse landbouw produceert vooral voedseloverschotten voor de wereldmarkt, tegen veel te lage bulkprijzen voor consumenten die massaal te veel eten.

Lees verder op Toets Online

Posted by Rob Schram on 09/19 at 09:47 AM

Blog Rob Schram Rio na de Spelen op Platvorm VOER

In augustus 2016 keek de wereld naar de Olympische Spelen in Rio de Janeiro. Dé uitgelezen kans dus voor de stad om zich te profileren als moderne metropool en voor Brazilië om zich te presenteren als moderne natie. Het nieuws uit Brazilië werd in de aanloop naar de Spelen echter gedomineerd door de politieke en economische crisis, milieuvervuiling en geweld. Ook nieuws gerelateerd aan de Spelen, zoals bouwkundige staat van het Olympisch dorp en de gebrekkige infrastructuur, droegen niet bij aan de positieve beeldvorming.

Lees Rob's blog verder op de site van Platvorm VOER.

Posted by Stefan van Vessem on 03/01 at 12:23 PM

Niet úw project, maar óns project

In het najaar 2015 schreef ik een blog op deze site over vergunningen en de nieuwe Omgevingswet. In dat blog tip ik aan dat het echt ondenkbaar is om straks onder de nieuwe Omgevingswet een bouwvergunning voor je aanbouw aan te vragen zonder eerst met de buren te overleggen. Ik ben van mening dat dat nu eigenlijk al niet anders is. Iedere collega-adviseur kan het beamen: om uw bedrijf uit te breiden of op te richten, zelfs om thuis een aanbouw aan uw huis te zetten, zijn er drie groepen die daaraan in meer of mindere mate invloed uitoefenen en bepalen of uw project een succes zal worden.

1. Uzelf als initiatiefnemer;
2. de overheid t.b.v. verlenen van toestemming;
3. uw leefomgeving.

In het 'klassieke' model staan deze drie partijen tegenover elkaar. De belangen zijn tegenstrijdig en de strategie klinkt veelal als 'laat vooral allemaal niet het achterste van je tong zien' als we met elkaar het gesprek aangaan.

Vreemd eigenlijk. Elke communicatieadviseur zal je voor gek verklaren. Nu is het natuurlijk menselijk dat iedere verandering per definitie met argusogen bekeken wordt, uit welk oogpunt ook bekeken. Toch is het de uitdaging om de belangen van een project breder te maken. Maak van de bovenstaande drie groepen je projectteam en betrek ze in je besluitvorming. Daarmee creëer je draagkracht en begrip. Natuurlijk hebben we daarbij allemaal andere belangen, maar het merendeel van de projecten waar ik mee te maken heb hebben tot doel om de leefomgeving te verbeteren of te veranderen. Natuurlijk hebben industriële ontwikkelingen niet altijd het doel om de leefomgeving te verbeteren maar ook tot doel om bijvoorbeeld productiecapaciteit te vergroten. Toch hoeven dat soort ontwikkelingen niet automatisch te betekenen dat er sprake is van achteruitgang van de leefomgeving.

Onze vergunningprocedures en bestemmingsplannen zijn er namelijk niet voor niets. Daarmee wordt getoetst of een verandering daadwerkelijk wel acceptabel is (en niet tot verslechtering leidt). Het is alleen zaak om de drie groepen vroegtijdig te betrekken in je project. Als je dat doet, en zoveel als mogelijk rekening houdt met de wensen van alle drie dan doorloop je de procedures echt met een groter gemak en fors minder juridische rompslomp aan het eind van de procedure. Dat kan wel betekenen dat er wel eens een beetje gegeven moet worden in plaats van alleen genomen. Vergeet bij deze beslissingen niet dat het ook een prettig gegeven is als je straks je buurman nog gewoon een hand kunt geven.

Als vergunningenmanager heb ik te maken met verschillende projecten. Van een grote transformatieopgave in Zeeland tot een gerenommeerd verwerkingsbedrijf dat een efficiencyslag wil maken in de productie en alles daartussen. In alle situaties wil mijn opdrachtgever 'zo snel mogelijk de spreekwoordelijke schop in de grond'. Maar ja, je zit altijd met 'de 26 weken' van de vergunningprocedure of de nog langere aanpassing van het bestemmingsplan.

Kom ik weer terug op mijn eerdere uitleg 'maak je project breder door alle partijen vroegtijdig in je project te betrekken'. In procedureland kunnen we inspraakperioden (nog) niet verkorten. Onder de nieuwe Omgevingswet kan dat anders worden. Toch moet er altijd inspraak blijven want dat is een basis van onze democratie. Maar de '26 weken' is een bevoegdheid en geen pertinente vaststaande looptijd. Betrekken van overheden, concepten vroegtijdig laten beoordelen en het SMART managen van belangen uit de omgeving dragen ertoe bij dat je niet alleen juridische rompslomp achteraf maar zelfs winst in de reguliere procedures kan behalen.

In het vakgebied van procedures op ruimtelijke ontwikkelingen lopen we met regelmaat tegen deze 'mogelijkheden' aan. Het lukt zeker ook niet altijd. Maar er zijn wel mogelijkheden en negen van de tien overheden staan daar volledig voor open. Als u dan vervolgens openstaat voor een positieve betrokkenheid van de omgeving en openheid van zaken is een positieve basis voor uw project gelegd. Correctie, ons project!

Posted by Eric van der Aa on 03/01 at 09:33 AM

Vernieuwd agrarisch natuurbeheer. Blog Eric van der Aa op Toets Online

Vol trots meldde het IPO op 23 februari dat “de twaalf provincies voor 2016 ruim 43,1 miljoen euro aan subsidie beschikbaar hebben gesteld voor het vernieuwde agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Veertig agrarische collectieven bestaande uit 6.630 deelnemende agrariërs gaan in 2016 totaal ruim 63.000 hectare natuur beheren. Rijk en provincies hebben in samenwerking met de betrokken partners een vernieuwd stelsel voor agrarisch natuurbeheer uitgewerkt, gebaseerd op ervaringen uit de agrarische natuurbeheerpraktijk. Dit moet een efficiëntere en effectievere uitvoering van het beheer opleveren: minder administratieve lasten en meer grutto’s.” Aldus het persbericht.

Lees de blog van Eric van der Aa op Toets online.

Posted by Eric van der Aa on 01/15 at 09:30 AM

Soortbescherming nu en straks;  Eric van der Aa blogt voor Toets

Met de op 15 december door de Eerste Kamer aangenomen nieuwe Wet Natuurbescherming is het thema soortbescherming aanzienlijk gewijzigd. De lijst met beschermde soorten is namelijk ingrijpend aangepast. Deze wet zal per 1 juli a.s. van kracht zijn.

Lees de complete blog van Eric op de website van Toets.   

Posted by Eric van der Aa on 10/26 at 04:51 PM

Slimme huiskraaien! Blog van Eric van der Aa voor Toets online

Slimme huiskraaien...

Onlangs publiceerde NRC-next een boeiend artikel over het uitroeien van de huiskraaien. Deze soort verplaatst zich graag per schip (wellicht al eeuwen) en heeft vanuit zijn thuisbasis India vele kolonies gesticht in Afrikaanse en Aziatische havensteden. 
Lees het blog van Eric van der Aa, dat gepubliceerd is via Toets online

Posted by Stefan van Vessem on 10/19 at 12:45 PM

De Omgevingswet, verbetering op gebied van vergunningen of oude wijn in nieuwe zakken?

De Omgevingswet, Verbetering op gebied van vergunningen of oude wijn in nieuwe zakken?
De Tweede Kamer heeft recent met grote meerderheid de nieuwe Omgevingswet aangenomen. De wet treedt naar verwachting in 2018 in werking. Wat betekent dit voor de huidige vergunningenstructuur? Meer algemene regels, minder (tegenstrijdige) wetgeving, één loket, minder onderzoeksverplichtingen en administratieve lasten voor overheid en bedrijf. Dat klinkt niet onbekend. Waar hebben we dat vaker gehoord? Inderdaad, in 2010 met de invoering van de Wabo.

Voeten in de klei!
Als adviseur sta ik met de ‘voeten in de klei’ en heb ik met mijn team vergunningenmanagement dagelijks te maken met vergunningprocedures op gebied van de omgevingsvergunningen, watervergunningen, ontgrondingen, verkeersbesluiten en diverse andere toestemmingsvereisten. Voor omvangrijke projecten betekenen al deze vergunningen met hun specifieke procedures het omduwen van paaltjes. Ieder omgeduwd paaltje is weer een verkregen toestemmingsvereiste die afgestreept kan worden en een stap dichterbij de realisatie van een project. Het moment van knallende kurken is bereikt na het omduwen van het laatste paaltje en het moment van de spreekwoordelijke schop in de grond. De invoering van de Wabo had daar al een verbeteringsslag in voorzien. In de praktijk bleek er helaas geen grote winst voor de vergunninghouders en -verleners ten opzichte van de situatie met de afzonderlijke vergunningen. De Wabo heeft hierin geen versnelling geboden. Initiatiefnemers kozen daarnaast massaal voor toepassing van deelvergunningen en niet de toepassing van de integrale procedure. De vele onderzoekverplichtingen die de Nederlandse zorgvuldigheid waarborgen, zorgen - nog steeds - voor complexe langdurige trajecten waarin veel expertises moeten worden afgestemd. Ook de komst van het Activiteitenbesluit droeg niet bij aan het verminderen van deze (veelal tijdrovende en kostbare) onderzoeksverplichtingen. Het Activiteitenbesluit voorzag wel een uniformering van een woud aan AMvB’s waar de onderlinge samenhang niet altijd even consistent was. Wat maakt de komende Omgevingswet daarin dan anders? Het is de bedoeling dat de trend naar het ‘ene pakket met regels’ met de Omgevingswet op een hoger niveau wordt gebracht. Meer standaardisatie, meer uniforme regelgeving en met het onderbrengen van milieu, water en natuur voor een deel wordt deze tendens versterkt.



Van inrichting naar activiteit en graag onderzoeken alleen waar nodig….
In de Omgevingswet wordt een groot aantal wetten deels of volledig ondergebracht. De vergunningplicht die daaruit voortvloeit krijgt een ander jasje... en een andere benadering. Regelgeving op gebied van vergunningen kent nu sterk de ‘nee, tenzij’ karakteristiek. Je mag als bedrijf of particulier niet bouwen, of geen bedrijf starten mits je voldoet aan een aantal voorschriften. In de nieuwe Omgevingswet wil de overheid inzetten op een ‘ja, mits’ karakter. Dus ja, je mag bouwen of een bedrijf starten mits je je inzet voor de verbetering van de leefomgeving…, en daar hebben we een aantal spelregels voor. Persoonlijk denk ik dat deze benadering een heel goede stap is! Daarnaast gaat de nieuwe Omgevingswet uit van het begrip ‘activiteit’ en minder van het begrip ‘inrichting’ (bedrijf). Een logische stap die meer in lijn ligt met de benadering van de Europese regels. Je vraagt straks als initiatiefnemer een vergunning aan voor uitsluitend die ene activiteit die vergunningplichtig is en niet een vergunning voor je bedrijf waarín je een vergunningplichtige activiteit hebt. Onder de Wabo is daarnaast sterk gestuurd op de ‘onlosmakelijke samenhang’, ofwel het feit dat je een omgevingsvergunning bouwen niet zonder een deelvergunning slopen of milieu kan aanvragen. Dat gaat helemaal veranderen. De initiatiefnemer zal bij de Omgevingswet zélf de verantwoordelijkheid hebben om deze deelvergunningen aan te vragen. Er ligt slechts een inspanningsverplichting tot informeren voor de overheid. Het is dus wel mogelijk een omgevingsvergunning bouwen aan te vragen zonder een deelvergunning voor milieu. Aan het ‘eind van de rit’ is het kader weinig anders doordat je niet je activiteit mag uitvoeren voordat je alle (deel)vergunningen in huis hebt. Toch kan dit planningstechnisch voordelen opleveren! Zo is het is niet meer noodzakelijk om bij het aanvragen van een omgevingsvergunning milieu vanwege de ‘onlosmakelijke samenhang’ ook voor het bouwen direct alle details bekend te hebben. Denk aan een constructieberekening, ventilatieberekening, daglichttoetreding of gedetailleerde bouwtekeningen. In het proces van projectvoering kan dat een grote winst zijn. Om te onderzoeken of de ja, mits systematiek beter werkt dan de bestaande nee, mits systematiek is een aantal voorbeeldprojecten uitgevoerd. Deze projecten laten zien dat het mogelijk is om met goede voorbereiding in enkele weken een procedure te doorlopen. Dat biedt kansen! Het blijkt wel dat het ‘alle neuzen dezelfde kant op’ principe hiervoor onontbeerlijk is. Goed vooroverleg met alle stakeholders is belangrijker dan ooit. Een nieuwe vergunning aanvragen zonder vooraf overleg gevoerd te hebben met je buren is bij een rechter straks niet meer uit te leggen. Een opmerkelijke verandering in procedureland is het verkorten van de inwerkingstredingstermijn van zes weken naar twee weken! Een maand tijdwinst is voor een gemiddeld project een forse stap!

Verlagen van de onderzoeklasten.
Het verminderen van de onderzoeksdruk is nog een uitdaging! Concreet is er nog geen oplossing aangedragen. Wel zijn er ideeën om de huidige onderzoeksdruk anders te organiseren. Verruimen van ‘geldigheidstermijnen’ geeft bijvoorbeeld mogelijkheden. Niet de standaard vijf jaar voor een bodemonderzoek of de drie jaar voor een ecologisch onderzoek stringent aanhouden, maar kijkend naar de strekking en inhoud van deze rapporten met daarbij de voorziene activiteiten in acht nemend. Bijvoorbeeld het gebruik maken van onderzoeksresultaten die bij de buren zijn uitgevoerd kan daarbij helpen. Onderzoeken uitsluitend voorschrijven waar dat noodzakelijk is voor de besluitvorming is een andere mogelijkheid tot winst. De sectorale onderzoeken geven echter bij de realisatie van plannen en projecten de nodige zekerheid over de inpasbaarheid. In de jurisprudentie wordt nog steeds veel waarde gehecht aan deze onderzoeken die de inhoudelijke inpasbaarheid van een initiatief zorgvuldig onderbouwen. Ik lees in de nieuwe Omgevingswet en de stukken daaromheen verschenen nog geen enorm vernieuwende aanpak hiervoor (een andere aanpak dan nu in de Wabo).

Oude wijn?
Zal de Omgevingswet een daadwerkelijke verbetering voor onze vergunningen worden of is het een bestaand kader in een nieuw jasje, oude wijn in nieuwe zakken? De activiteitbenadering vraagt om kleinere sneller te realiseren vergunningen uitsluitend voor die activiteiten en niet meer voor volledige bedrijven. De voorbeeldprojecten om procedures te versnellen laten goede resultaten zien. Als we als stakeholders allemaal de neus dezelfde kant op steken en projecten aan de voorkant beter organiseren dan hebben we met kaderstellend Nederland een beter resultaat bereikt dan dat het geval was na de invoering van de Wabo. De ‘ja mits’ systematiek heeft dan het doel bereikt. Ook is er een beter ‘één pakket met regels’ en minder vergunningen. Daar is (her)ontwikkelend Nederland bij gebaat! Een maand structureel minder proceduretijd zoals nu is aangegeven is voor de voortgang van projecten ware winst. De uitvoeringsregelingen worden nu opgesteld. Laten we als Nederland daarmee niet het beoogde doel van de Omgevingswet uit het oog verliezen. We blijven paaltjes omduwen. Maar deze paaltjes lijken dichter bij elkaar te staan en soms tegen elkaar te leunen. Als we deze paaltjes sneller kunnen omduwen, of soms met twee of meer tegelijk, is van oude wijn dan geen sprake.

Posted by Eric van der Aa on 05/27 at 04:18 PM

Lees de blogs van Rho-collega Eric van der Aa voor Toets-Online via deze links

Effectenindicator zet ecologen wel degelijk op verkeerde been
Naar aanleiding van mijn artikel ‘Vergeet de effectenindicator’ in Toets 2014/2 heeft Mirjam Broekmeyer namens Alterra een reactie geschreven waarin wordt gepoogd mijn kritiek op de effectenindicator (E.I.) te weerleggen. Deze discussie over de kwaliteit van ecologische toetsingen en de rol van de E.I. daarin stel ik zeer op prijs. Op een aantal elementen in de reactie van Alterra wil ik graag reageren.

Niks mis met de Habitattoets
Volgens een recent Alterra-rapport kan de eenzijdige toetsing op nauw omschreven Natura 2000-instandhoudingsdoelen een juridische belemmering vormen voor duurzame gebiedsontwikkeling. Gesteld wordt dat in gebieden waar veel functies zoals natuur, landbouw, wonen, werken en vervoer een plek moeten (sic) krijgen, een exclusieve toetsing aan instandhoudingsdoelen tot suboptimale of zelfs contraproductieve uitkomsten leiden. Bij dit rapport wil ik een aantal kanttekeningen plaatsen.

Hoezo dalende achtergronddeposities?
In de veronderstelling dat er met de aanstaande PAS inmiddels achter­grond­de­po­si­ties voor 2014 beschikbaar zouden zijn, heb ik onlangs de Grootschalige Concen­tra­tie- en Depositiekaarten Nederland geraadpleegd. Achtergronddeposities voor 2014 bleken nog niet beschikbaar, maar raadpleging van de gemodelleerde waarden voor 2015 zou in ieder geval enig zicht moeten geven op de verwachte daling van de achtergronddeposities voor het komende jaar. De onderliggende RIVM-rapportage heeft immers hoge verwachtingen van de PAS-maatregelen in de landbouw en daaruit voortkomende depositiedalingen.

Safaritoerisme
Recent verschenen er in de landelijke pers berichten over safaritoerisme; verblijfstoerisme in en rond de Nederlandse topreservaten, zoals de Biesbosch en Oostvaardersplassen. In deze natuurgebieden kunnen hotels, lodges en safaritenten worden gerealiseerd waarin, net als in Afrika, tussen de dieren kan worden overnacht. Dit concept moet 80 miljoen per jaar opleveren, dat wordt teruggesluisd naar de natuur. Op die manier wordt de natuur minder afhankelijk van subsidies, zo is het idee.

Lees verder op Toets-Online