Op zoek naar samenwerking in het landelijk gebied

Gemeente Nuenen staat voor een belangrijke opgave: de transitie van het landelijk gebied. Maar hoe breng je de ambities voor het buitengebied tot leven als belangen uiteenlopen en de gemeente niet overal over gaat? En wat betekent ‘groen’ in een overwegend agrarisch gebied, hoe ga je om met veranderend eigenaarschap en hoe werk je samen om tot een toekomstbestendig buitengebied te komen?

Nuenen zet het omgevingsprogramma in om deze opgaven aan te pakken. Vanuit Rho Adviseurs gingen wij met de gemeente in gesprek over haar eerste ervaringen met dit nieuwe instrument.

Wat is voor Nuenen de kernopgave in het landelijk gebied?

“Nuenen is een gemeente met een fraai maar relatief klein buitengebied. We zien het aantal agrarische bedrijven afnemen. Daarmee verandert niet alleen het gebruik, maar ook het eigenaarschap en het toekomstperspectief van het landschap. De vraag die dan centraal staat is: hoe blijft het buitengebied ‘groen’ en wat bedoelen we daar eigenlijk mee? Hoe zorgen we dat het gebied zijn herkenbaarheid niet verliest?” En het belang is groot. Het landelijk gebied is niet alleen van belang voor de landbouw. Voor veel inwoners van Nuenen en de regio (Metropoolregio Eindhoven, red.) is het landelijk gebied een belangrijk uitloopgebied”.

 

Waarom koos de gemeente voor het omgevingsprogramma als instrument?

“De omgevingsvisie (2021) schetst waar we in 2040 willen staan. De ambities zijn dus helder, maar die blijven nog wat abstract. Met het omgevingsprogramma willen we de stap maken van ambitie naar uitvoering: wat gaan we concreet doen, met wie en in welke volgorde? Het programma helpt ons hopelijk om niet meteen terug te vallen in regels wat mag wel en wat mag niet, maar juist te denken vanuit het einddoel: wat hebben we nodig om daar te komen?”

Hoe verloopt het proces tot nu toe?

“We hebben allereerst een Nota van Uitgangspunten opgesteld: het programma op hoofdlijnen. Die hebben we ook getoetst bij belangenorganisaties en bestuur. Nu begint de fase waarin het ‘spannend’ wordt: maatregelen bedenken en uitwerken, en dat vooral samen met stakeholders. Het omgevingsprogramma is natuurlijk niet alleen een nieuw instrument, maar vooral ook een nieuwe manier van werken. Je ontdekt pas gaandeweg welke stappen logisch zijn, welke werkvormen passen en waar het nodig is om bij te sturen. Je kunt rustig stellen dat het proces af en toe echt een zoektocht is”.

Het proces is soms een zoektocht, maar wel met een duidelijke richting!

Wat viel in de praktijk tot nu toe anders uit dan verwacht?

“Participatie is een belangrijk leerpunt voor ons. We waren blij met de hoge opkomst bij bijeenkomsten, maar de samenstelling van de klankbordgroep bleek achteraf niet in balans: te veel mensen uit dezelfde hoek en een paar dominante stemmen. Dan mis je representativiteit. We zijn ons er gaandeweg van bewust geworden dat je er niet bent met ‘ophalen’, maar dat het vooral aankomt op het echt samenwerken met elkaar. En dat vraagt om een andere houding en andere werkvormen. Hierin speelt vertrouwen een belangrijke rol.  Dat moet langzaam opgebouwd worden. En er moet ruimte zijn voor het benoemen van waar je het wel en niet mee eens bent”.

Wat vraagt het omgevingsprogramma van jullie als organisatie en manier van werken?

“Het dwingt ons om integraal te werken, en dat is precies de bedoeling van de Omgevingswet. Intern merken we dat collega’s soms verrast zijn dat ze betrokken worden, bijvoorbeeld vanuit het sociaal domein. Maar juist die koppeling levert waarde op. Je leert elkaars ‘beleidswerelden’ kennen en ontdekt hoe ruimtelijke keuzes elkaars doelen kunnen raken. Tegelijk blijft beschikbaarheid van de capaciteit een aandachtspunt, zeker in een kleinere organisatie. Bovendien is het instrument voor velen natuurlijk nog nieuw.”

Participatie vraagt om representatieve tafels, passende werkvormen en vertrouwen!

 

Wat zegt jullie ervaring tot nu toe over de waarde van het omgevingsprogramma?

“Aan het begin dachten we: het omgevingsprogramma lijkt op de toelichting van een bestemmingsplan, zoals we die vroeger kenden. We merkten al snel dat het programma veel meer is dan dat en ook veel meer van ons vraagt, met name procesmatig. Je moet nu echt het gesprek aangaan. Een gesprek over keuzes, rollen en haalbaarheid. Dit maakt ook transparanter waarom je bepaalde afwegingen maakt, en helpt om besluiten beter te laten landen.”

Waar zitten de grootste uitdagingen?

“In het landelijk gebied gaan we als gemeente over veel minder dan men soms denken. Ongeveer tachtig procent van de grond is in particulier bezit. Je bent dus sterk afhankelijk van andere partijen en grondeigenaren. Maar ook van partners zoals de provincie en het waterschap. Ook externe factoren spelen een rol zoals Europese regels en subsidiestromen, die kunnen veranderen. Het programma neemt die afhankelijkheden niet weg, maar helpt wel om ze expliciet te maken.”

 

Wat zijn jullie belangrijkste lessen tot nu toe, en wat zouden jullie andere gemeenten mee willen geven die aan de slag gaan met het programma?

“Zie het omgevingsprogramma niet als een document dat je even maakt, maar als een proces waarin je samen met stakeholders tot uitvoerbare keuzes komt. Besteed dus vroeg aandacht aan goed doordachte beslissingen over wie je aan tafel hebt, hoe representatief dat is, en welke werkvormen passen daarbij. En intern: organiseer integraliteit, want dit instrument raakt veel meer beleidsterreinen dan je in eerste instantie zou denken.”

Hoe ervaren jullie de samenwerking met Rho Adviseurs in dit traject?

“Het instrument omgevingsprogramma is voor iedereen nieuw, dus ook voor Rho Adviseurs die daarin begeleidt en ondersteunt. Juist dat maakt de samenwerking bijzonder: je leert samen wat werkt en wat niet. Er is ruimte om bij te sturen en het gesprek blijft altijd open en constructief. Het is niet een traject van het vasthouden aan afspraken om de afspraken, maar van het samen streven naar het beste resultaat, met scherp oog voor het einddoel. Voor ons is een dergelijke vorm van samenwerking belangrijk, want het omgevingsprogramma gaat niet alleen om inhoud, maar vooral om hoe je het proces organiseert.”

Als we 2 á 3 jaar verder zijn, wanneer is het programma landelijk gebied voor jullie geslaagd?

“Als je in het buitengebied daadwerkelijk verandering ziet: vergroening, landschappen die herkenbaar blijven, en dat het buitengebied uitstraalt dat mensen er prettig wonen, werken en recreëren. Een buitengebied zonder leegstaand, en met nieuwe ontwikkelmogelijkheden.